Ga naar de inhoud

“An die Unsterbliche Geliebte”

Beethoven schrijft zijn brief "An die Unsterbliche Geliebte"


De kaarsvlam flikkerde onrustig, dansende schaduwen op de muren van Beethovens bescheiden kamer werpend. De componist zat gebogen over zijn secretaire, zijn vingers geklemd om een ganzenveer. Voor hem lag een vel papier, nog onaangeroerd door inkt, maar zwaar van de woorden die hij wilde, nee, moest schrijven.

Beethoven sloot zijn ogen, liet de stilte van de nacht over zich heen komen. In die stilte hoorde hij muziek – altijd muziek – maar ook de echo van een stem die hij al te lang niet had gehoord. Haar stem.

Hij opende zijn ogen, doopte de veer in de inkt, en begon te schrijven. “Mijn engel, mijn alles, mijn ik.” De woorden vloeiden uit zijn pen, even vloeiend als de melodieën die constant door zijn hoofd speelden.

Terwijl hij schreef, dwaalde zijn geest af naar de jaren die verstreken waren sinds hij in Heiligenstadt zijn testament had geschreven. De wanhoop van toen was getemperd, maar niet verdwenen. Zijn doofheid was verergerd, zijn isolement groter geworden. En toch… en toch was er liefde. Een liefde zo intens dat ze hem tegelijkertijd vervulde en verscheurde.

“Kan onze liefde anders bestaan dan door opofferingen, door niet alles te verlangen?” schreef hij, de ironie van zijn eigen woorden proevend. Want verlangde hij niet alles? Haar nabijheid, haar begrip, haar onvoorwaardelijke acceptatie van wie hij was en wat hij werd?

Beethoven legde de veer neer, wreef vermoeid over zijn ogen. De kaars was al een flink stuk opgebrand, getuige van de tijd die verstreken was sinds hij was begonnen.

Hij stond op, liep naar het raam. Buiten was de wereld gehuld in duisternis, maar in de verte kon hij de eerste tekenen van de dageraad zien.

Terug aan zijn secretaire, pakte hij de veer weer op. “Ach God, kijk naar de schone natuur en kalmeer je gemoed over wat moet zijn,” schreef hij, meer tot zichzelf dan tot haar. Hoeveel keer had hij zichzelf dit niet voorgehouden in de afgelopen jaren? Acceptatie van het onvermijdelijke – zijn doofheid, zijn eenzaamheid, de onmogelijkheid van deze liefde.

Maar acceptatie was nooit zijn sterkste punt geweest. Hij vocht, altijd. Tegen zijn lichaam dat hem in de steek liet, tegen een wereld die hem niet begreep, tegen het lot dat hem gescheiden hield van de vrouw die hij liefhad.

“Leven kan ik ofwel alleen geheel met u, of in het geheel niet,” schreef hij, de waarheid van deze woorden voelend tot in het diepst van zijn ziel. En toch wist hij, zelfs terwijl hij de woorden neerpende, dat het een onmogelijke droom was.

De uren verstreken, de kaars brandde op en werd vervangen. Beethoven schreef, pauzeerde, dacht na, schreef weer. Hij goot zijn hart uit op papier, wetende dat deze woorden misschien nooit gelezen zouden worden door de ogen waarvoor ze bestemd waren.

Toen de laatste woorden geschreven waren – “eeuwig de jouwe, eeuwig de mijne, eeuwig van ons” – liet Beethoven de veer vallen. Hij staarde naar de bladzijden voor hem, nat van inkt en emotie.

Met een diepe zucht vouwde hij de brief op en opende een la van zijn secretaire. Daar, tussen stapels partituren en onvoltooide composities, legde hij de brief neer. Zijn vingers bleven even rusten op het papier, alsof hij door aanraking alleen de woorden tot leven kon brengen.

Terwijl hij de la sloot, vroeg Beethoven zich af of hij ooit de moed zou vinden om deze brief te versturen. Of misschien was het schrijven zelf al genoeg geweest – een uitlaatklep voor gevoelens die te groot waren om in zich te houden, te complex om in muziek alleen uit te drukken.

Hij stond op, liep naar het raam. De zon was nu volledig opgekomen, een nieuwe dag was begonnen. En hij zou die dag tegemoet treden zoals hij dat altijd deed – alleen, maar met muziek als zijn constante metgezel. Muziek, en de herinnering aan een liefde die, zelfs onvervuld, hem bleef inspireren en kwellen in gelijke mate.

Beethoven draaide zich om van het raam, zijn blik nog eenmaal rustend op de secretaire waar zijn hartroerende woorden nu verborgen lagen. Met een laatste, bijna onhoorbare zucht, verliet hij de kamer, klaar om zich weer onder te dompelen in de enige wereld waar hij zich echt thuis voelde – de wereld van klanken en harmonieën die alleen hij kon horen.


Zie ook de toelichting bij dit verhaal.