Ga naar de inhoud

De Boodschapper

N’Golo ziet Het Paleis van Heer in de verte


“Boodschapper, sta op!”

N’Golo sloeg zijn ogen op en keek in het gerimpelde gezicht van de sjamaan. De oude man droeg zijn ceremoniële verentooi.

“Boodschapper, het is tijd De Tocht te aanvaarden.” De donkere ogen van de sjamaan keken N’Golo bedachtzaam aan.

N’Golo knikte. Hij wreef zijn ogen uit, verbaasd dat hij, ondanks zijn opwinding, toch nog in slaap was gevallen, stond op en liep achter de sjamaan de hut uit, het dorp door.

Hij zag niemand en dat verwachtte hij ook niet; iedereen was verzameld bij De Poort van Heer om De Boodschapper uitgeleide te doen.

Hij volgde de sjamaan naar de rand van het dorp en hoorde al snel tromgeroffel en het gezang van de dansende menigte. Niet lang daarna zag hij de gele gloed van de vuren die de hele nacht zouden branden om het vertrek van De Boodschapper te vieren.

De sjamaan liep naar de rand van de kring en gooide een grijs poeder in het dichtstbijzijnde vuur. Tongen felwit licht sproeiden omhoog en iedereen wierp zich op de grond; ook N’Golo, al had hij gisteren de sjamaan geholpen het poeder te bereiden.

“Kinderen van Heer,” klonk de stem van de sjamaan in de plotselinge stilte. “Morgen is de dag waarop wij onze akkers gaan bewerken en daarom sturen wij vanavond De Boodschapper naar Heer. Stem Heer gunstig en geef rijkelijk een deel van de gaven waarmee Hij u heeft gezegend, aan Zijn Boodschapper.”

De sjamaan liep door de menigte naar De Poort en hield stil voor de eerste van de stenen bogen.

N’Golo kwam naast hem staan en als altijd keek hij met ontzag naar de sierlijk gebogen rotsformatie die als een reusachtig portaal naar de hemel reikte. Daarachter, op een steenworp afstand, gemeten naar de worp van een geoefend krijger, rees een tweede boog omhoog en op gelijke afstand daar weer achter een derde. Dit was De Poort waardoor Heer was gekomen om Zijn Kinderen op aarde te plaatsen, en door deze Poort mocht alleen Zijn Boodschapper gaan om De Tocht door de woestijn te aanvaarden, op weg naar Zijn Paleis.

De zon stond nog boven de derde boog en gespannen bleef N’Golo naast de sjamaan staan wachten.

Hij durfde niet om zich heen te kijken, maar hij wist dat alle leden van de stam ademloos naar de langzaam zakkende grote bol stonden te turen.

Traag verdween de zon achter de bovenste rand van de derde boog.

Alleen de korte kreet van een klein kind weerklonk in de doodse stilte.

Toen schenen de stralen van de zon, onder de drie bogen door, N’Golo recht in het gezicht. Een triomfantelijk gehuil steeg op uit de menigte.

“Boodschapper,” zei de sjamaan. “Slechts eenmaal per jaar, op de dag voordat de Kinderen van Heer hun akkers gaan bewerken, schijnt de zon door alle drie de bogen van Zijn Poort. Dit is de dag waarop Zijn Boodschapper dient te vertrekken. Kom, neem de gaven in ontvangst.”

N’Golo wist dat ze er zouden zijn, maar toch voelde hij een brok in zijn keel toen hij zich omdraaide en de twaalf Boodschappers-voor-de-nieuwe-oogsten zag. Dit waren de jongens waarmee hij was opgegroeid, met wie hij jarenlang lief en leed had gedeeld, een bijzondere groep temidden van de hechte gemeenschap van de stam, de Kinderen van Heer.

Elk jaar, op deze dag, was een Boodschapper vertrokken om De Tocht te aanvaarden en elk jaar, tijdens de oogst, was er een nieuwgeborene aan de groep toegevoegd. Ditmaal zou híj De Tocht gaan maken en hij verheugde zich in het vooruitzicht de vroegere Boodschappers weer te zien, maar hij was bang dat hij deze jongens zou missen en dat het lang zou duren voor ze weer bij elkaar waren en konden spelen in het Paleis van Heer.

De jongens stelden zich in twee rijen op voor De Poort. N’Golo volgde de sjamaan langs deze erehaag en liep naar de dorpelingen om de geschenken voor Heer in ontvangst te nemen.

Als eerste kreeg hij van Afisere, de vlechter, de fraai bewerkte rieten mand waar alle overige gaven in konden worden opgeborgen. De mand had lange gevlochten hengsels zodat hij makkelijk op zijn rug kon worden gebonden.

Van Obulele, de viller, ontving hij een kunstig gesneden mes en van Otumara, de krijger, de opgezette klauw van een luipaard. Hij kreeg houtsnijwerk en aardewerk, maar de meesten gaven hem het kostbaarste dat zij konden aanbieden: een deel van de opbrengst van hun akker, verwerkt tot heerlijke gebakken broden of smakelijke koeken.

N’Golo deed alle gaven in zijn mand en beloofde telkens tegen Heer te zeggen wie Hem zo rijkelijk had bedacht.

Als laatste kwam hij bij zijn ouders, die met zijn broertjes en zusjes bij de Rots voor de Verwanten van De Boodschapper stonden. Trots blonk in hun ogen toen hij voor hen stilstond.

Zijn moeder droeg een traditionele rood-met-zwarte schoudermantel waarop een grote schorpioen was geborduurd. “Boodschapper,” zei ze, “smeek Heer om Zijn zegen. Stem Hem gunstig met onze geschenken en vraag om vruchtbare regens en een overvloedige oogst; niet echter in ons eigen belang, maar opdat de Kinderen van Heer Hem kunnen loven met hun gaven.”

Plechtig knikte N’Golo. “Moeder van De Boodschapper. Uw woorden zijn juist en oprecht. Ik zal Heer de geschenken van Zijn Kinderen brengen.”

Zijn moeder overhandigde hem een zak met koeken en een kruik met water. Als Moeder van De Boodschapper hoefde zij geen geschenk voor Heer mee te geven. “Neem dit proviand; niemand is bij de bereiding betrokken geweest dan de Moeder van De Boodschapper alleen. Berg het niet op in de mand met de geschenken voor Heer en kom niet in de verleiding van Zijn gaven te eten.”

Weer knikte N’Golo plechtig. “Heb dank, Moeder van De Boodschapper. Nu kan uw zoon De Tocht volbrengen.”

Hij keek naar de welving van haar buik en voegde eraan toe: “En moge Heer de vrucht van uw schoot zegenen, zoals Hij al vele malen heeft gedaan. Wellicht wordt uit u De Boodschapper geboren die over dertien zomers De Tocht zal aanvaarden.”

Slechts eenmaal eerder, wist hij, had een Moeder twee Boodschappers gebaard.

Zijn vader nam het woord. Hij zag er indrukwekkend uit met het luipaardvel om zijn schouders, de poten kruislings op zijn borst over elkaar geslagen.

“Boodschapper. Heer zal u beschermen op uw Tocht. Neem daarom slechts deze staf; niemand heeft hem aangeraakt dan de Vader van De Boodschapper alleen.”

Plechtig nam N’Golo de luisterrijk bewerkte staf aan. “Dank u, Vader van Heers Boodschapper. Vergezel mij tot Zijn Poort.”

Hij draaide zich om en liep achter de sjamaan aan door de eerste boog van De Poort.

Bij de tweede boog hield de sjamaan stil.

“Boodschapper, neem afscheid van de stam. Gedenk hen in uw boodschap aan Heer.”

“Boodschapper,” zei zijn vader. “Ga en geniet de vrede van Heer. Smeek Hem om genade voor Zijn Kinderen.”

N’Golo zag hem aarzelen; ongetwijfeld dacht zijn vader aan de mislukte oogst van het voorgaande jaar. N’Golo voelde het gewicht van de taak die op zijn schouders rustte; na nogmaals zo’n slechte oogst zouden vele leden van de stam de winter niet overleven.

“Wees gerust, Vader van De Boodschapper, ik versta mijn taak.”

De sjamaan gebaarde N’Golo’s vader te blijven staan en liep voor N’Golo uit naar de derde boog.

“Boodschapper, tot hier mag ik met u meegaan. Vervolg nu uw Tocht naar het Paleis van Heer. Ga de zon tegemoet tot de heilige plaats waar Heer Zijn Staf in de grond heeft geplant. Volg dan De Ster van Heer, die onbeweeglijk aan de hemel staat. Gebruik de nacht om goede voortgang te maken.”

De sjamaan nam de amulet van zijn hals en overhandigde het aan N’Golo. “En gebruik deze splinter van De Steen van Heer om uw weg te vinden als Zijn Ster niet meer zichtbaar is, dan bereikt u Zijn Paleis voor de zon morgen hoog aan de hemel staat.”

Een tijdlang keken de sjamaan en N’Golo elkaar aan. Op de achtergrond klonk tromgeroffel, al spoedig vermengd met het geluid van de zangers en dansers.

“Ga nu,” zei de sjamaan.

N’Golo rechtte zijn rug, richtte zijn blik op de zon, die nu vrijwel de horizon had bereikt, en liep zonder om te kijken de woestijn in.

Stevig stapte N’Golo door en al spoedig kon hij het geluid van de feestende stam niet meer horen. Regelmatig klonk het tikken van zijn staf op de rotsbodem, een vreemd rustgevend geluid in de stilte van de woestijn.

Op het moment dat de zon onder de horizon zakte, bereikte N’Golo De Staf van Heer.

Hij kende deze plek goed, want Heer stond het Zijn Boodschappers-voor-de-nieuwe-oogsten toe eenmaal per jaar de ontzagwekkende rots te bezoeken om zich voor te bereiden op De Tocht. Natuurlijk kwamen ze dan niet door De Poort, maar er was een ander pad waarlangs de sjamaan hen leidde naar de plek waar Heer had uitgerust nadat Hij Zijn Kinderen op aarde had geplaatst.

Hier liet de sjamaan zien hoe De Ster van Heer kon worden gevonden temidden van Zijn talrijke aan de hemel afgebeelde Dienaren.

Met diep ontzag leerden Heers Boodschappers dat Zijn Ster, die hen in de woestijn de weg naar Zijn Paleis zou wijzen, het onbeweeglijke middelpunt vormde van de volmaakte cirkels die alle andere sterren beschreven, en zij loofden Hem. Hoe groot was Heer, hun Beschermer.

N’Golo liep naar De Staf.

Hoog boven zijn hoofd verlichtten de laatste zonnestralen de reusachtige afdruk van Heers Hand op de steen. Ver daaronder stonden de nietige afdrukken van de handen van de vroegere Boodschappers.

Elk jaar was hij met de andere Boodschappers-voor-de-nieuwe-oogsten hulde gaan brengen bij een nieuwe afdruk, hoewel niet altijd met dezelfde geestdrift, maar de sjamaan had nooit openlijk gesproken over de wijsheid van Heers keuze of het welslagen van een Tocht.

Even staarde N’Golo voor zich uit, toen nam hij wat van de zwarte kleurstof uit het kruikje dat aan de voet van de rots stond en smeerde zijn hand ermee in. Hij maakte zijn hand nat met water uit zijn eigen kruik, liep rond De Staf en vond een mooi plekje voor zijn afdruk. Stevig drukte hij zijn hand tegen de warme rots. “Heer,” prevelde hij, “zegen mijn Tocht.”

Hij draaide zich om en liep in de richting die hem zo vaak was gewezen door de sjamaan.

Na slechts een paar passen bleef hij stokstijf staan.

Voor zijn voeten richtte een slang, die zich op de warmte van een grote steen had liggen koesteren, zich op. “Heer,” bad hij, “geleid mijn slag.”

Hij verstevigde zijn greep op zijn staf en met een korte, felle beweging sloeg hij de slang van de steen. Het dier plofte een flink eind verderop op de rotsen. Kronkelend zocht het beschutting. “Heer is mijn Beschermer.”

Met gesterkte zekerheid vervolgde N’Golo zijn weg in de snel invallende duisternis.

Al spoedig verschenen de eerste sterren en weldra herkende hij De Ster van Heer.

Tevreden zag N’Golo dat hij precies in de goede richting liep. “Heer leidt mijn pad,” mompelde hij. En met kordate passen liep hij de nacht in.


Opgetogen zag N’Golo hoe de zon haar eerste stralen over de horizon wierp. Niet dat de tocht door de nacht hem zwaar was gevallen. De sjamaan had de Boodschappers-voor-de-nieuwe-oogsten vaak meegenomen in de nacht en N’Golo had geleerd bij het zwakke licht van de sterren zijn weg te vinden. Bovendien was N’Golo erop voorbereid hoe bitter koud het ’s nachts kon zijn in de woestijn, maar hij was stevig doorgelopen en had de koude amper gevoeld.

Toch was hij blij de zon te zien, want nu was het grootste deel van zijn Tocht volbracht en zou het niet lang meer duren voor hij Het Paleis van Heer bereikte.

Hij zocht een geschikte plek om uit te rusten en te eten. Hij zag een ronde, platte steen en keek goed of er geen schorpioenen onder de steen verborgen zaten.

In de duisternis vannacht was hij geen moment bang geweest door een schorpioen of een ander dier te worden aangevallen, want Heer waakte over hem, maar hij wist ook dat Heer hem niet zou beschermen tegen onnozele onvoorzichtigheid.

Hij ging zitten met zijn gezicht naar de opkomende zon en bekeek zijn been. Gedurende zijn Tocht door de nacht was de rotsbodem geleidelijk overgegaan in rul zand, waarin het lopen soms moeilijk was geweest. Eenmaal was hij uitgegleden en had hij zijn been geschaafd langs een uitstekende rots, maar de schram deed nu geen pijn meer.

Even sloot hij zijn ogen en genoot van de warmte van de zon.

Toen bekeek hij het landschap. Overal zag hij hoge zandduinen. Hoe goed was Heers Paleis verborgen; alleen een Boodschapper die had geleerd hoe hij de weg moest vinden, kon Het bereiken.

N’Golo nam de amulet van zijn hals en keek naar de vreemde bruinzwarte steen die ronddraaide in de houder. Eerbiedig had hij geluisterd toen de sjamaan uitgelegde dat deze splinter van De heilige Steen van Heer, waarvan de geheime vindplaats van sjamaan op sjamaan werd doorgegeven, de richting naar Zijn Paleis aangaf. En bij het licht van een toorts had N’Golo gezien dat, hoe de amulet ook werd gehouden, de punt van de steen altijd naar De Ster van Heer wees, en hij had Zijn wijsheid geprezen.

Hij hing de amulet weer om zijn hals en nam de zak met koeken die hij van zijn moeder had gekregen. Hij glimlachte bij de gedachte aan haar.

Twaalf zomers en een winter geleden had Heer haar uitgekozen om Zijn Boodschapper te baren. Elk jaar nam de sjamaan de eerste gezonde mannelijke baby die na het begin van de oogst werd geboren, onder zijn hoede om door hem te worden opgeleid.

Vaak was N’Golo zijn ouders en zijn broertjes en zusjes gaan opzoeken, maar hij had zich altijd meer op zijn gemak gevoeld bij het groepje jongens dat werd opgeleid voor De Tocht naar Het Paleis van Heer.

Toch zegende hij zijn moeder voor de heerlijke koeken die zij had gebakken en die hem in staat stelden zijn Tocht te vervolgen.

Hij at de laatste koek op, nam een slok water en stond op.

Hij keek op de amulet. “Heer is mijn gids,” prevelde hij.

Verkwikt vervolgde hij zijn weg.


Gespannen speurde N’Golo de horizon af, maar hij zag geen teken van Het Paleis. “Heer,” bad hij, “hoe ver is het nog?”

Hij keek naar de zon die hoog aan de hemel brandde en veegde het zweet van zijn voorhoofd.

Toen richtte hij zijn blik weer op de horizon en probeerde met een stevige pas vooruit te komen, maar het lopen in het rulle, hete zand viel hem steeds moeilijker.

De hengsels van de zwaarder wordende mand trokken diepe striemen in zijn schouders en zijn tong voelde aan als leer; al geruime tijd geleden had hij zijn laatste druppel water gedronken.

“Heer, help mij. Toon mij Uw Paleis.” Hij keek op de amulet; hij liep nog steeds in de goede richting.

Daar zag hij een overhangende rots. Zou hij even in de schaduw uitrusten? Dan kon hij nieuwe krachten opdoen voor het laatste deel van Zijn Tocht; Het Paleis kon niet ver meer zijn.

Hij liep naar de rots, en bleef geschokt staan.

In de schaduw lag een menselijke gestalte.

Voorzichtig schuifelde hij dichterbij. De gestalte lag onbeweeglijk. De donkere huid was op een vreemde manier strakgetrokken. Het deed hem denken aan het verdroogde kadaver van een wild dier dat de sjamaan hem ooit tijdens een van de lessen in de woestijn had laten zien.

Behoedzaam beroerde hij de gestalte met zijn voet en het bovenlichaam viel opzij.

Geschrokken sprong hij achteruit toen hij de tekening op de rieten mand onder het lijk herkende. Dit was de mand die aan Ukalle, de Boodschapper-van-de-vorige-oogst, was meegegeven.

Plotseling begreep N’Golo het lot van zijn stam. Ukalle had zijn plicht verzaakt. Hij was hier onder deze rots gaan uitrusten en door de slaap overvallen, of misschien door een wild dier, en had De Tocht niet volbracht. Daarom had Heer toegestaan dat de oogst mislukte. Hij had de gaven van Zijn Kinderen nooit ontvangen; de mand met geschenken lag hier.

Zo snel als hij kon rende N’Golo weg van de rots.

“Heer, sta mij bij. Laat mij mijn plicht vervullen.” Hij tuurde naar de horizon. “Heer, toon mij Uw Paleis.”

Hij liep voort.


Het hete zand deed pijn aan zijn voeten. Hij was al een aantal malen gestruikeld, maar telkens had hij de kracht gevonden om op te staan en verder te gaan. Zijn blik speurde langs de horizon.

“Heer, ik ben zo moe.”

Hij struikelde en trachtte weer op te staan, maar hij viel opnieuw.

Hij richtte zich op zijn knieën op en strompelde voort.

”Heer, alstublieft. Gedenk Uw Boodschapper.”

Hij viel voorover op zijn handen. Moeizaam kroop hij voorwaarts.

“Heer, hoe ver nog?”

Hij richtte zich op en tuurde naar de horizon.

“Heer, toon mij Uw Paleis.”

Ingespannen zocht hij de horizon af.

Daar! Nu zag hij het. Trillend tegen de hete lucht stond Het Paleis van Heer.

Met een kreet van vreugde sprong N’Golo op en rende een paar passen.

Hij struikelde en viel in het hete zand. Een pijnscheut schoot door zijn knie.

“Alstublieft, Heer, geef mij kracht.”

Hij krabbelde overeind, deed een pas, maar viel opnieuw.

“Heer, het is te ver. Alstublieft, laat mijn Tocht niet mislukken. Ik ben zo dichtbij, maar het is te ver.”

Wanhopig probeerde hij op te staan, maar de kracht ontbrak hem.

Vertwijfeld viel hij voorover. Tranen rolden over zijn wangen.

“Heer, gedenk mijn stam. Hier zijn hun gaven. Neem ze aan, alstublieft, en schenk Uw Kinderen een rijke oogst. Uit het diepst van hun hart hebben zij de mooiste geschenken verzameld om u te smeken de oogst te zegenen. Alstublieft, straf hen niet.”

“Boodschapper, sta op.”

“Heer, de oogst was zo slecht vorig jaar en ik weet nu waarom. Heb medelijden. De winter was zo hard, Heer. Er zullen zoveel van Uw Kinderen sterven als de oogst weer mislukt. Neem hun geschenken aan. Straf hen niet.”

“Boodschapper, sta op!”

“Heer, het is mijn schuld. Ik ben niet stevig genoeg doorgelopen tijdens de nacht. Ik bewonderde Uw Sterren. Straf Uw Kinderen niet voor mijn fouten. Aanvaard hun gaven en zegen de oogst. Alstublieft, ik smeek het U.”

“Boodschapper. Sta op!”

Langzaam keek N’Golo op. Naast zijn hoofd stond een reusachtige voet.

Moeizaam richtte hij zich verder op. Omlijst door de verblindende stralen van de zon torende een kolossale gestalte hoog boven hem uit.

“Heer!”

Gelukzalig glimlachend viel N’Golo voorovergebogen in het zand. Hij voelde hoe hij werd opgetild en naar Het Paleis gedragen.


De regens kwamen op de juiste tijd dat jaar en de oogst was overvloedig.

Dankbaar gaven de leden van de stam een deel van hun opbrengst aan de sjamaan, Heer lovend.

En velen gingen langs bij De Moeder van de Boodschapper en eerden haar zoon. En zij bewonderden haar baby, die op de eerste dag van de oogst was geboren en was uitverkoren over twaalf zomers De Tocht te aanvaarden.