
“En denkt iemand ooit wel eens aan mij?
Hoe denk je dat mijn toekomst eruitziet?”
Hoofdstuk
1
“Politie! Doe open!”
Gospodin schoot rechtop in bed en staarde ontsteld naar de deur, waarvan de vorm duidelijk werd afgetekend door dunne strepen wit licht die langs de deurpost de donkere kamer binnendrongen.
“Wat gebeurt er?” Milena kwam naast hem overeind en klampte zich aan hem vast.
“Ze hebben ons gevonden,” fluisterde Gospodin hees. Instinctief sloeg hij zijn armen om haar heen.
“Doe open! Politie!”
“Mijn god!” riep het meisje uit. “Wat gaan ze doen?”
“Politie! Achteruit!”
“Het is gebeurd!” De angst in haar stem was haast tastbaar. “Niemand ziet ons ooit nog terug.”
Gospodin wist geen woorden te vinden om haar gerust te stellen.
“Achteruit! Weg van die deur!”
De deur lichtte langzaam helrood op, en barstte toen met een scherpe knal uiteen. Met betraande ogen knipperend tegen het felle licht zag Gospodin een aantal gedaanten de kamer binnenstormen. Leren handschoenen grepen hem beet. Bescherming zoekend greep hij Milena steviger vast, maar zij werd bruusk van hem weggetrokken.
“Papieren!” Gospodin kromp ineen van het luide bevel in zijn oor. Hij graaide naar de stoel naast het bed. Een geüniformeerde arm was hem voor; zijn jas werd ondersteboven opgetild en zijn persoonsbewijs viel eruit. Een zwarte handschoen raapte het pasje op.
“Gospodin F. 136.”
“Milena K.” De stem aan de andere kant van de kamer pauzeerde triomfantelijk, maar Gospodin wist al wat zou volgen. “142!”
Vanuit de deuropening klonk een scherpe stem: “U staat beiden onder arrest wegens overtreding van de wet op de relatievorming. Neem ze mee!”
“Aankleden!”
Gospodin werd aan zijn haren uit bed getrokken en op de grond geworpen. Hij tastte rond en vond zijn broek. Hinkend met een been in een broekspijp werd hij naar buiten gesleurd. Hij probeerde zich om te draaien en te zien waar Milena was, maar met een harde slag tegen zijn hoofd werd hij in een arrestantenwagen geduwd.
De celdeur ging open en Gospodin werd ruw naar binnen gesmeten. Zijn scheenbeen schampte langs een houten brits en hij sloeg hard met zijn schouder tegen de muur. Beschermend sloeg hij zijn armen voor zijn hoofd, maar er klonk alleen het geluid van de deur die in het slot werd gegooid.
Voorzichtig gluurde hij door zijn armen; er was niemand in de cel.
Hij zakte tegen de muur omlaag en ging op de kille grond zitten. Zijn hoofd, zijn schouder, zijn been, overal deed zijn lichaam pijn.
Wanhopig keek hij om zich heen. Moest hij slapen onder een kale deken op de harde, scheefgezakte brits? Of zijn behoefte doen in een roestige emmer?
Hij keek langs de donker uitgeslagen muren omhoog en zag door het getraliede raam ver boven zijn hoofd de donkere lucht langzaam grijs kleuren in het eerste ochtendlicht.
“Milena,” fluisterde hij, terwijl hij weer de angst in haar stem hoorde, “waar ben je?”
En in gedachten beleefde hij hun eerste ontmoeting opnieuw.
“Hé, jongens,” riep Zoran, vergeefs trachtend zijn arm in de mouw van zijn jas te steken, “nog één afzakkertje?”
Modrag reageerde met zijn gebruikelijke gretigheid. “Ik lust nog wel.” Hij wankelde, maar vond steun bij een lantaarnpaal.
“Modrag, de onverzadigbare,” zei Gospodin smalend. Hij bracht zijn horloge vlak voor zijn gezicht en staarde enige tijd ingespannen naar de dansende cijfers. “Maar het is inderdaad nog geen tijd om naar huis te gaan.”
“Waar wil je dan heen?” Branko zette zijn bril, die hij omstandig had staan poetsen, weer op zijn neus.
“Kunt u nu weer scherp zien, weledelgeleerde heer?” Spottend sloeg Dusan op Branko’s schouder. Branko maakte een wegwerpbeweging en verloor bijna zijn evenwicht. Lachend greep hij Dusans arm beet.
“Zijn jullie al eens in De Tap geweest?” vroeg Zoran. “Ik hoorde van Vesna dat dat een geweldige nieuwe tent is; helemaal ingericht als zo’n bruin café uit de vorige eeuw.”
“De Tap wordt voorgesteld, De Tap zal ’t zijn. Dus, heer Gospodin, verhef u!” Dusan reikte Gospodin, die op de stoep was gaan zitten, een hand en hielp hem overeind. “Meester Zoran, u bent onze gids, wij volgen u.”
Het gezelschap begaf zich op weg.
“Tjonge,” mompelde Modrag, terwijl hij achter Zoran naar binnen liep, “da’s nog ’ns wat anders. Zouden dat echte houten balken zijn?”
“Nee, dat denk ik niet,” antwoordde Gospodin, nieuwsgierig rondkijkend. “Hout is veel te duur. Kijk maar, dat haardvuur is duidelijk namaak. Maar ze hebben, zo te zien, veel authentieke…”
Hij stokte en staarde naar de serveerster die op hen kwam toegelopen. Haar zwarte rok en witte blouse benadrukten de ouderwetse sfeer die het café uitstraalde. Het flakkerende schijnsel van de open haard leek te spelen met haar lange blonde haren.
“Goedenavond, heren, mag ik uw jassen aannemen?” Gospodin zag haar helderblauwe ogen haar glimlach weerspiegelen.
Dusan gluurde naar het op haar borst gespelde naamplaatje. “Volgaarne, schone Miléna.”
Het meisje keek hem spottend aan.
“Ai, dat was een pijnlijke misser,” begreep Dusan. “Deze lieftallige jongedame heeft natuurlijk net zo’n onmogelijke klemtoon in haar naam als onze vriend Gós-podin.” Hij sprak de eerste lettergreep met overdreven nadruk uit. “Vergeef mij, Mí-lena.” Hij gaf haar zijn jas.
“Sta mij toe,” vervolgde hij, “ons nederig gezelschap studenten in de natuurwetenschappen aan u voor te stellen. Mijn vriend hier, die niets ziet van het vrouwelijk schoon op deze aardkloot, hoewel hij voortdurend zijn bril staat te poetsen, heet Branko. Mijn andere kameraad, voor wie een bril geen nut heeft, doordat zijn krullen hem toch het zicht benemen op alle weelderige vormen om ons heen, is Zoran. Dan is er nog de goede Modrag, die wel zou willen dat een weelderige haardos voor zijn ogen hangt, maar ach… In ruil draagt hij een baardje, maar over het succes daarvan zijn de meningen onder het schone geslacht verdeeld. Op onze Gós-podin hoef ik u niet attent te maken; vele van uw seksegenoten hebben reeds commentaar geleverd op zijn doordringende bruine ogen, maar er gaan geruchten dat nog niemand tot zijn hart heeft weten door te dringen. En ten slotte, ondergetekende, uw nederige dienaar, Dusan.” Hij maakte een buiging en wierp haar een handkus toe.
Het meisje nam lachend de overige jassen aan en ging het gezelschap voor naar een tafeltje bij het haardvuur. “Wat wilt u drinken?”
“Is dat een echte biertap? Zo’n ouderwetse?” vroeg Branko.
“Echt antiek,” antwoordde het meisje met enige trots in haar stem.
“Doe mij daar dan maar een biertje van.”
Allen knikten instemmend.
“Vijf maal van de tap,” zei het meisje en ze verdween met hun jassen achter een deur.
“Vesna heeft gelijk.” Zoran leunde met een tevreden gezicht achterover en streek ontspannen zijn krullen naar achteren. “Deze tent heeft sfeer.”
“En wat een leuke bediening. Gospodin is er helemaal stil van.” Plagend porde Dusan tussen Gospodins ribben.
“Ach,” mompelde Gospodin, die voelde dat hij moest blozen, “ze heeft mooie ogen, vinden jullie niet?”
“Jongen, jongen, moeten we je nu nóg gaan vertellen waar je op moet letten bij de meisjes.” Modrag maakte een niet mis te verstaan gebaar met zijn handen voor zijn borst.
“En haar pasje,” voegde Zoran er aan toe.
“En haar pasje.” Modrag wreef zuchtend over zijn baardje.
De serveerster verscheen met een dienblad met vijf glazen bier.
Terwijl zij de glazen op de viltjes op het tafeltje zette, legde Dusan zijn hand op haar heup en zei: “Schone Milena, mogen wij je namens Gospodin, met wie je al een klemtoon gemeen blijkt te hebben, iets vragen?”
Het meisje deed een stap opzij, maar Dusan stond op en sloeg een arm om haar middel. “Onze vriend Gospodin heeft namelijk een probleem, want zijn IQ is 136.”
Het meisje probeerde zich los te maken uit zijn greep. Dusan legde echter zijn andere hand op haar schouder en vervolgde: “En nu dachten wij dat jouw IQ daar uitstekend bij zou passen.”
“Mag ik schatten?” vroeg Branko. “65? A match made in heaven.”
Vergeefs duwde het meisje tegen Dusans arm. “Geen handtastelijkheden, alstublieft.”
“Kom, Dusan, laat haar met rust,” kwam Gospodin haar te hulp.
“Hij plaagt haar alleen maar,” suste Zoran.
“Kijk, kijk, onze vriend neemt het al op voor zijn vriendinnetje.”
Dusan hield het meisje stevig in zijn greep.
“Laat me los,” gromde ze.
“Je moet de feiten onder ogen zien, Gospodin,” zei Modrag. “Je zult ooit zo’n meisje moeten kiezen. En zij ziet er toch prima uit.”
“Wel verdomme,” viel Milena uit. “Stelletje verwaande kwasten.”
Gospodin zag hoe haar ogen donkerder leken te worden naarmate ze kwader werd. “Jongens, toe nou,” probeerde hij.
“Onze kandidate heeft toch nog een aardige woordenschat,” zei Dusan, Gospodins protest negerend. “Misschien scoort ze wel iets hoger dan jouw schatting, Branko. Maar ach, Gospodin mag tot 74 gaan.”
“142,” snauwde ze. “En laat me nu gaan.”
“Natuurlijk,” meesmuilde Modrag. “Haar IQ is 142. Het blondje heeft meer hersens dan iemand van ons.”
“142, ja. Ik studeer antropologie. Er staan meer gebouwen op de campus dan alleen de laboratoria van jullie achterlijke techneuten. Laat me…”
“Maak dat de kat wijs,” viel Zoran haar in de rede. “Wat doe je hier dan?”
“Rijkeluiszoontjes hebben dat natuurlijk niet nodig, maar dit blondje heeft een baantje als serveerster om haar studie te betalen.” Ze duwde met beide handen tegen Dusans borst.
“Zo is het genoeg geweest. Dusan, laat haar los,” zei Gospodin resoluut.
“Zijn er problemen?” Een ober kwam naast hun tafel staan.
Dusan opende zijn mond, maar voor hij kon antwoorden bevrijdde Milena zich met een ferme ruk uit zijn greep. “Arrogante ballen,” zei ze, rood van kwaadheid. “Neem jij de bediening maar over, Dej. Ik heb het gehad.”
“Maar…” begon Gospodin.
“En smeer die fooi maar in je haar.” Driftig beende ze weg, vertwijfeld nagestaard door Gospodin.
2
De deur van zijn cel werd opengegooid en nog voor hij tijd had om van zijn brits op te staan, werd Gospodin beetgepakt en naar buiten gesleurd. Hij struikelde en schaafde zijn knieën. Leren handschoenen grepen onder zijn oksels en sleepten hem voort door de lange gangen. Wanhopig probeerde hij te voorkomen dat zijn blote voeten over de ruwe vloer schuurden. Na een eindeloos lijkende tocht langs lange rijen celdeuren, werd hij een ruimte ingeduwd en op een stoel vastgebonden.
Hij trachtte om zich heen te kijken, maar een lamp werd aangeknipt en een felwit licht scheen in zijn ogen.
“Gospodin F,” klonk het bars. “Op heterdaad betrapt in bed met Milena K. Wat deed je bij haar?”
“Wat hebben jullie met haar gedaan? Waar…?”
Een harde slag trof zijn linkerschouder. “Geef antwoord! Wat deed je daar?”
“Waar is Milena? Wat…?”
Hij kreeg een klap tegen zijn hoofd. “Dat vroeg ik niet! Wat deed je daar?”
Gospodin opende zijn mond, maar sloot hem weer. Toen zei hij: “Ik sliep.”
Een slag kwam neer op zijn rechterbovenarm. “We kunnen de hele dag op deze manier doorgaan. Of je kunt het jezelf aangenaam maken door mee te werken aan dit verhoor. Zeg maar wat je wilt.”
Gospodin knikte hulpeloos. Hij probeerde zijn ondervrager te zien, maar werd verblind door het licht.
“Geef antwoord op mijn vraag. Wat deed je met Milena K in haar kamer?”
“Zij studeert aan dezelfde universiteit als ik. We hebben elkaar leren kennen in een bar in de stad en zijn verliefd geworden. Geen wet kan dat tegenhouden.”
Een slag trof zijn beurse linkerschouder. En nog een. Gospodin kromp ineen. “Die wet is er wel. Al jaren. En al die tijd zijn er stommelingen zoals jij die denken dat die wet niet voor hen geldt.”
Een schaduw viel over hem heen toen zijn ondervrager zich vooroverboog. “Jongens en meisjes kunnen alleen maar trouwen als hun intelligentiequotiënten,” de lettergrepen werden staccato in Gospodins oor geschreeuwd, “bij elkaar aansluiten. Een eigenwijze jongen als Gospodin F kán dus helemaal niet zomaar verliefd worden.”
Weer trof hem een slag. Gospodin probeerde zijn hoofd te beschermen, maar zijn armen waren stevig vastgebonden aan de leuningen van zijn stoel.
“En meneer Gospodin hoeft niet zielig te doen, want er zijn genoeg meisjes te vinden die aan de eis voldoen. De wet zegt niet met wie je moet trouwen, alleen met wie níet mág trouwen.”
Gospodin staarde zonder iets te zeggen naar zijn voeten.
“Nou, wat heb je daarop te zeggen?”
Wat maakt het nog uit, dacht Gospodin wanhopig. “Dacht u dat ik die wet niet kende?” barstte hij uit. “Mijn hele leven hoor ik er al over! Als ik in bed lag en mijn ouders tegen elkaar hoorde schreeuwen; dacht u dat ik niet wist waar hun ruzie over ging? En als ik hoorde hoe mijn vader de deur achter zich dichtsmeet; zou ik dan niet weten waarom hij kwaad wegliep? Of als mijn moeder op de rand van mijn bed kwam zitten; wist ik dan niet waarom ze huilde? Ze had een IQ dat bijna twee keer zo hoog was als dat van mijn vader, dus reken maar uit. Hoe denkt u dat het is te leven met een debiele echtgenoot? Die het leven met een hoogintelligente vrouw niet aankan en uit frustratie zijn heil zoekt in verdovende middelen, tot hij op een keer wordt gevonden met een te hoge dosis regenboogpillen in z’n donder. Hoe denkt u dat het is voor een tienerjongen om zijn vader te zien, die kapot is gegaan door zo’n stomme wet?”
“Debiel, hè?” Gospodin schrok van de enorme woede in de stem van zijn ondervrager. “Gelul!” Zijn hoofd leek te exploderen na een geweldige slag. “Een slappeling. Jouw vader was gewoon een slappeling. Míjn vrouw doet precies wat ík haar zeg. Denk maar niet dat ze bij mij moet aankomen met ingewikkelde praatjes, al heeft ze nog zo’n hoog IQ. Ik ben de baas in huis. En als ze niet horen wil, dan moet ze maar voelen.” De ene na de andere slag daalde op Gospodins lichaam neer. “Dan moet ze het verdomme maar voelen!”
Ineens hield de regen van slagen op.
In de plotselinge stilte klonk een rustige stem. “Zo is het wel genoeg geweest. Breng de jongen weg.”
Gospodin voelde hoe hij werd losgemaakt en weggesleept.
Hij werd in zijn cel gegooid en bleef versuft op de grond liggen.
Zijn hele lichaam deed hem pijn. “Milena,” mompelde hij, “was het dit allemaal waard?”
Hij voelde tranen opkomen bij de gedachte aan het blonde meisje dat zijn vrienden zo hadden getreiterd.
Met kloppend hart stond Gospodin voor de deur van café De Tap. Hij aarzelde. Hij kon nog op zijn besluit terugkomen; hij hoefde niet naar binnen.
Hij haalde diep adem, greep de deurkruk beet, opende de deur en stapte het café binnen. Hij keek om zich heen. Gelukkig was het zo vroeg op de avond nog niet druk.
Een serveerster liep op hem af. “Mag ik uw jas aannemen?”
“Eh… eigenlijk kwam ik voor Milena,” stamelde hij. “Heeft zij dienst vanavond?”
Het meisje knikte. “Ik zal haar even roepen.”
Ze liep naar achteren.
Met moeite onderdrukte Gospodin de neiging zich om te draaien en weg te lopen. Wat een idioot idee om terug te gaan en Milena te spreken te vragen. Ze zou hem gewoon uitlachen en de deur wijzen. Hadden zijn vrienden haar gisteravond niet genoeg getreiterd? Toch wilde hij haar zien. Maar hoe kon hij het aan haar uitleggen? En wát wilde hij dan uitleggen? De hele dag had hij geweten wat hij moest zeggen, maar nu zonk hem het hart in de schoenen. Hij wist het nu zeker: dit hele idee om haar te spreken was verkeerd; hij kon hier niet blijven.
Hij draaide zich om, en keek in Milena’s helderblauwe ogen.
“Wat kan ik voor u doen?” vroeg ze. “O, ik zie het al, hier is onze hoogbegaafde vriend met de vreemde klemtoon in zijn naam. Dat was lachen met dat dienstertje, zeg. Geweldig, hoe stoer onze vrienden zijn zodra er een blond meisje in de buurt is. Als ze een beetje wil meewerken, hebben we een lekker speeltje voor de avond. Ze kan toch niet intelligenter zijn dan de eerste de beste snol, dus waarom zouden we haar anders behandelen?”
“Maar…”
“Wat hebben we lekker aan haar kunnen zitten, hè? We hebben nog net niet in haar tieten geknepen.” Haar blauwe ogen keken hem fel aan.
“Alsjeblieft,” zei Gospodin vertwijfeld, “ik kwam juist om mijn excuses aan te bieden.”
“Excuses! En waarom dacht je dat ik daar behoefte aan had?”
“Juist omdát je geen dom blondje bent.”
“O, nu het blondje hersens blijkt te hebben, is ze ineens interessant.”
“Luister nou even naar me,” bracht Gospodin er wanhopig tegenin. “Ik vind dat mijn vrienden je erg vervelend behandelden gisteren. Ik ben langzamerhand gewend aan hun constante opmerkingen over mijn toekomstige debiele vrouw, maar voor jou was dat niet leuk en dat spijt me heel erg. Eerlijk waar.”
“En dan is alles vergeten en kun jullie weer van voren af aan beginnen?”
“Nee, natuurlijk niet,” verzuchtte Gospodin.
“Dan gaan we in een andere bar een ander meisje lastig vallen. Eentje dat minder van zich afbijt. Misschien heeft ze eindelijk het IQ dat bij de mooie jongen past, dan kan hij ook gelukkig worden.”
“En jij denkt dat ik naar zo’n meisje op zoek ben?” merkte Gospodin kwaad op. “Verdomme, m’n hele leven wordt bepaald door die wet. Moet jij me daar nu ook al aan herinneren?”
Tot zijn verbazing zag Gospodin tranen in Milena’s ogen opwellen.
“En denkt iemand ooit wel eens aan mij? Hoe denk je dat mijn toekomst eruitziet? Als ik een leuke jongen zie, moet ik m’n gevoelens dan maar altijd uitschakelen? Door die stomme wet moet ik op zoek naar een echtgenoot met niet meer verstand dan een negenjarige. Weet je wat dat betekent? Een negenjarige!”
Even keek Gospodin haar stil aan. Toen zei hij: “Het spijt me. Dit was geen goed idee. Ik wilde je mijn excuses aanbieden en ik hoopte dat je ze wilde aanvaarden. Ik weet dat de wet verbiedt ooit iets meer van je te verwachten, maar ik dacht dat ik je wel mijn oprechte verontschuldigingen mocht aanbieden en vragen of je ze kon accepteren.”
Hij schudde zijn hoofd. “Ik zal je niet langer lastig vallen.”
Hij draaide zich om en wilde weggaan.
“Nee, wacht!”
Verbaasd keerde Gospodin zich weer naar Milena. “Ik stel je gebaar erg op prijs. We krijgen hier wel vaker te maken met lastige groepjes dronken studenten, maar jij bent de eerste die de volgende dag terugkomt om zich te verontschuldigen. Mag ik je excuses aanvaarden?”
Dankbaar knikte Gospodin. Hij wist niet goed wat hij moest zeggen.
“Kom, ga hier aan de bar zitten,” stelde Milena voor. “Wil je een biertje van de tap? Je hebt wel een drankje verdiend.”
Gospodin ging opgelucht zitten. Hij hoopte dat de avond lang zou duren; hij wilde dit meisje nog zoveel vragen.
3
Opnieuw was Gospodin uit zijn cel gesleurd en, na de ellendige tocht door de eindeloze gangen, vastgebonden in de stoel.
Knipperend tegen het verblindende licht dat in zijn ogen scheen, hoorde hij zijn ondervrager zeggen: “Ben je bereid met ons mee te werken?”
Gospodin zei niets.
Een harde slag trof zijn linkerschouder.
“Alles wat u wilt,” kreunde hij. Als de slagen maar ophielden. Hoelang duurden deze ondervragingen nu al?
“Geef je toe dat je omging met het verkeerde meisje en beloof je je voortaan aan de wet te houden? Ik hoef je niet te vragen wat de wet op de relatievorming inhoudt, wel?”
“Een man en een vrouw,” antwoordde Gospodin gedwee, moe van de pijn in zijn lichaam, “mogen slechts trouwen en kinderen krijgen als de som van hun intelligentiequotiënten gelijk is aan 200. Met een marge van tien, om precies te zijn. Ze mogen dus trouwen als de som ligt tussen de 190 en 210.”
“En waarom is die wet ingevoerd?”
Werktuiglijk dreunde Gospodin op wat hem van kindsbeen af was geleerd. “Vroeger trouwden mensen die bovengemiddeld intelligent waren voornamelijk met elkaar. De gezinnen van deze mensen genoten hoge inkomens, zeker als beide ouders werkten. Daardoor konden zij de duurste opleidingen betalen, waardoor hun kinderen een onrechtvaardig grote voorsprong kregen in de maatschappij met als gevolg dat de bestbetaalde banen telkens weer aan de neus van de kansarmen, die uit minder intelligente ouders waren geboren, voorbijgingen. Toen eindelijk werd ingezien dat dat onrechtvaardig was, werd een wet aangenomen die regelde dat IQ’s moesten worden gemengd.”
“Jongen, jongen,” klonk het spottend, “wat hebben we goed opgelet. En wat betekent dat voor Gospodin F?”
“Mijn IQ is 136. Ik moet dus trouwen met een meisje dat een IQ heeft tussen de 54 en 74.”
“Móet? Jij moet trouwen?”
Gospodin verwachtte weer een klap, maar die bleef uit.
“Mág,” zuchtte hij. “Ik mag op zoek naar een debiel meisje met een IQ…”
Hij zag sterretjes van de slag die zijn hoofd trof. “Debiel! Dat woord wil ik niet meer horen. Begrepen?” Overal leken de slagen hem nu te treffen.
Wanhopig rukte hij aan de koorden die hem vastbonden aan de stoel.
“Alstublieft!” schreeuwde hij.
Plotseling hield de regen van slagen op.
“Laat me even alleen met de jongen spreken, sergeant.”
Gospodin herkende de rustige stem.
Hij hoorde hakken tegen elkaar slaan en het metalen geluid van een deur die dichtsloeg. Toen was het stil.
Het verblindende licht werd gedoofd.
Het duurde even voor Gospodins ogen waren gewend aan het verminderde licht in de ruimte. Toen zag hij een gestalte voor zich, half zittend op het blad van een houten bureau, een aantal glimmende sterren op de kraag van zijn zwarte uniform. De man deed zijn stropdas wat losser, opende het bovenste knoopje van zijn overhemd, nam zijn pet af en streek met zijn hand door zijn glanzend zwarte haar.
“Weet je wat het probleem is, Gospodin?” zei de man op rustige toon. “Voor jou is dit de eerste keer, maar wij krijgen hier vaak jongens zoals jij en dan willen we ons geduld wel eens verliezen. We horen altijd weer dezelfde verhalen. De jongen heeft een hoog IQ en wil niet trouwen met een debiel…” hij hield in en glimlachte, “zwakbegaafd meisje. Hij heeft in zijn omgeving gezien, misschien zelfs wel bij zijn ouders, hoe slecht het huwelijk kan zijn tussen twee mensen met geheel verschillende IQ’s. En ondanks zijn hoge intelligentie trekt de knaap ogenblikkelijk zijn conclusies uit die ene waarneming, volledig negerend dat ook huwelijken tussen mensen met gelijkwaardige IQ’s kunnen stranden. Maar ja, de echte reden is natuurlijk dat hij het meisje waarmee hij is betrapt, te diep in haar ogen heeft gekeken.”
Zijn fonkelende bruine ogen keken Gospodin doordringend aan. “Toch zul je haar moeten vergeten.”
“Hoe is het met…?” Gospodin stokte.
De man keek hem glimlachend aan. “Je hoeft niet bang te zijn; voor de fysieke aanpak heb ik mijn ondergeschikten. Ik wil even rustig met je praten, hoewel ik de sergeant natuurlijk kan terugroepen als je halsstarrig blijft weigeren je misstap in te zien.”
Hij pauzeerde even, als om de lading van zijn woorden te laten inwerken. “Maar wees gerust, met het meisje is alles in orde.”
Gospodin knikte en staarde stil voor zich uit.
“Goed, dit is wat er gaat gebeuren,” vervolgde de man. “Jij verhuist naar een andere stad en schrijft je in aan de universiteit daar; je hoeft je studie niet op te geven. Je belooft geen contact meer te zoeken met je meisje. Dat zal trouwens moeilijk gaan, want ook zij zal verhuizen, en we geven je haar adres niet, uiteraard.”
Gospodin opende zijn mond, maar zei niets.
“Je durft niets te zeggen? Ach, ik heb al zoveel discussies met jongens zoals jij gevoerd over het nut van de wet op de relatievorming. Of je de burgers wel door een wet mag beperken in hun partnerkeuze; ik denk van wel, elke wet is immers een beperking aan sommigen om anderen geen onrecht aan te doen, vind je ook niet? En vrijwel iedereen vindt dat de wet onrechtvaardig is, omdat intelligentie niet uitsluitend erfelijk wordt bepaald, maar volgens mij maakt dat weinig uit, want als intelligentie mede wordt bepaald door de omgeving waarin iemand opgroeit, dan ervaart een kind toch nog het gemiddelde van zijn ouders. Toch maken jullie allemaal één fout en dat is bij jullie verklaring voor de invoering van de wet. Dat had niets te maken met gelijke kansen voor iedereen. Welnee. Aan het eind van de vorige eeuw bleek uit onderzoek dat er in gezinnen van bovengemiddeld intelligente mensen minder kinderen werden geboren dan in die van de minderbegaafden. En dat betekende dat de gemiddelde intelligentie van de bevolking afnam. Toen dát werd ingezien, werd de wet ingevoerd en met succes, want het gemiddelde IQ neemt weer toe, maar dat heeft een andere oorzaak dan vaak wordt gedacht.”
Hij keek Gospodin strak aan. “Weet jij hoeveel hoogintelligente kinderen tegenwoordig worden geboren uit hoogbegaafde moeders? Die statistieken staan natuurlijk niet in de krant, maar neem van mij maar aan dat het er veel zijn. Jij bent intelligent genoeg om een verklaring te bedenken.”
De man zweeg veelbetekenend.
Beduusd staarde Gospodin hem aan. Beweerde deze man dat hij de wet gewoon kon overtreden als niemand het merkte? En dat zijn moeder…?
“Maar waarom…?” begon hij.
“Waarom hebben we jou opgepakt? En waarom pakken we al die anderen op? Kom nou, zo dom ben je toch niet? Jullie doen het gewoon te opzichtig.”
Ja, dacht Gospodin, we zijn verschrikkelijk naïef geweest.
“Goed,” zei de man, terwijl hij opstond, “ik laat je terugbrengen naar je cel, dan kun je eens rustig nadenken. Morgen regelen we je overplaatsing naar een universiteit in een andere stad.”
Hij riep een bevel en Gospodin hoorde een deur opengaan, maar hij durfde niet om te kijken.
“Ja, majoor?”
“Breng deze knaap naar zijn cel. En verzorg hem goed; hij heeft beloofd van nu af aan mee te werken.”
“Tot uw orders, majoor.”
Terwijl hij door twee soldaten naar zijn cel werd teruggebracht, merkte Gospodin een verandering in hun houding. Hij werd niet meer voortgeduwd en de deur van de cel werd voor hem opengehouden, zodat hij kalm naar binnen kon stappen.
Hij ging op zijn brits liggen en sloot zijn ogen.
Hij zag Milena weer over het plein lopen.
Gospodin zat op de marmeren sokkel, met zijn rug tegen de staart van een van de stenen leeuwen die de toegang tot de universiteit bewaakten.
Voor het eerst in lange tijd scheen de zon en een aangename warmte hing over de campus. Overal zwierven groepjes studenten en Gospodin nam iedereen die het plein voor de aula betrad aandachtig op.
De afgelopen dagen had hij De Tap vaak bezocht en hij was gaan uitzien naar de gesprekjes met Milena als ze even bij hem kwam zitten tussen het bedienen van de andere gasten door. Toen ze eenmaal had ingezien dat hij geen flauwe opmerkingen tegen haar maakte, had ze haar terughoudendheid laten varen en langzamerhand gingen hun gesprekken over diepgaander onderwerpen.
Opgewonden bewoog Gospodins blik zich over de studenten die over het plein liepen.
Op een gegeven moment had Milena voorgesteld hem eens te ontmoeten tijdens de lunch. Ze studeerden aan dezelfde universiteit, dan konden ze elkaar toch gewoon in de mensa tegenkomen?
Koortsachtig zochten zijn ogen naar Milena. Ze had zich natuurlijk bedacht. Hoe had hij zo naïef kunnen zijn te denken dat ze met hem zou willen lunchen?
Plotseling leek zijn hart een slag te missen. Daar zag hij haar de hoek omkomen. De zon gaf haar blonde haar een gouden glans. Ze leek het stralende middelpunt van de mensenmassa. De gloed van haar blonde lokken verlichtte het hele plein. Hoe kon het dat zij hem hier nog nooit eerder was opgevallen?
Ademloos keek hij toe terwijl ze in zijn richting liep. Opeens zag ze hem. Een glimlach verscheen om haar lippen en ze stak voorzichtig haar hand omhoog.
Gospodin sprong van de sokkel af en liep op haar af. Het had hem geen goed idee geleken bloemen voor haar te kopen.
“Hoi,” begroette hij haar, een beetje onwennig. “Fijn dat je er bent.” Hij gaf haar geen kus.
“Ja,” zei ze, “hier ben ik. Heb je het menu al gezien?”
“Nee, maar ze koken hier altijd heel lekker.”
“Dat weet ik.” Haar blonde haar danste mee met de knikkende beweging van haar hoofd. “Ik kom hier wel niet zo vaak, want meestal eet ik ’s avonds in De Tap, maar ze koken goed.”
Hij knikte en nodigde haar met een kort gebaar uit naast hem te komen lopen. Hij onderdrukte de neiging haar zijn arm aan te bieden terwijl ze de mensa binnengingen.
Ze kozen beiden het visgerecht en gingen aan een vrij tafeltje tegenover elkaar zitten.
“Eet smakelijk.”
“Dank je,” zei Milena.
Haar blauwe ogen keken hem even aan, maar toen richtte ze haar aandacht weer op haar bord. “Dit was misschien toch niet zo’n goed idee.”
Gospodin gluurde vanuit zijn ooghoeken naar de studenten in de eetzaal. “Heb jij dan ook het gevoel dat iedereen naar ons kijkt?”
“Je denkt toch niet dat iemand de politie belt?”
“Je bedoelt dat ze ons hier midden in het publiek arresteren?”
“Gebeurt dat dan?” Milena keek Gospodin geschrokken aan.
“Ik heb er nog nooit van gehoord,” stelde hij haar gerust.
“Ik ook niet.”
“Toch heb ik wel gehoord over mensen die plotseling verdwenen,” vervolgde hij met een onheilspellend gevoel.
“Ik ook, maar van hen wist iedereen dat ze een verhouding hadden. Daar is bij ons geen sprake van. Wij zitten hier alleen maar te lunchen. Daar is toch niets verkeerd mee?”
“Nee. Wij zijn gewoon studenten die elkaar tegen zijn gekomen en even een hapje zijn gaan eten.”
“Je hebt gelijk.” Haar stem klonk echter niet gerust.
Beiden namen zwijgend een paar happen van hun eten.
“Ik zie nergens jongens en meisjes samen aan hetzelfde tafeltje zitten,” zei Milena ineens.
“Maar het is niet verboden.”
“Nee, het is niet verboden.”
Ze aten zwijgend verder.
“Belachelijk, hè?” verbrak Milena de ongemakkelijke stilte tussen hen. “Hoe die wet ons hele leven beïnvloedt. Zouden anderen, ik bedoel mensen met een gemiddelde IQ, ook voortdurend bang zijn op de verkeerde te vallen?”
Plotseling viel een hand hard op Gospodins schouder.
Geschrokken keek hij op, recht in het lachende gezicht van Dusan. “Heer Gospodin, wilt u uw vrienden niet meer kennen?”
Gospodin keek over zijn schouder en herkende de krullenbos van Zoran een eindje verderop. Achter Zoran liepen zijn andere vrienden, eveneens met dienbladen in hun handen.
“En word ik niet voorgesteld aan uw schone metgezellin?” vervolgde Dusan.
Zijn mond viel open. “Wel heb ik ooit. Dat is dat meisje uit die bar! Je gaat me toch niet vertellen dat ze toch het goeie IQ had.”
Hij draaide zich om en wenkte de anderen, luid roepend: “Hé, jongens, kom ’ns!”
“Alsjeblieft, Dusan,” zei Gospodin zacht, “laat me met rust.”
“Ai, een misser,” mompelde Dusan. “Ik blunder.”
Hij wilde zich omdraaien en weglopen, maar de anderen stonden al om hem heen.
“Gospodin, wat zie ik nu?” begon Modrag joviaal, maar Dusan greep hem bij de schouder.
“De wet,” fluisterde hij. “Gospodin wil niet herkend worden.”
“Ik denk dat ik beter kan gaan,” zei Milena zacht.
Ze stond op en zei op luidere toon: “Bedankt, Gospodin. Je hebt het me prima weten uit te leggen. Ik denk dat ik dat tentamen nu wel met vertrouwen tegemoet kan zien.”
Ze draaide zich om en liep naar de uitgang.
“Neem me niet kwalijk,” mompelde Dusan. “Ik wist niet dat…”
“Laat maar,” zei Gospodin. Hij voelde zich ellendig nu hij voor het eerst besefte wat de wet werkelijk voor hem betekende.
Hij stond op en liep naar de uitgang aan de andere kant van de eetzaal.
4
De celdeur werd opengesmeten en voor Gospodin zich kon omdraaien om te zien wat er gebeurde, werd hij aan zijn haren van zijn brits getrokken. Een harde slag kwam neer op zijn rug. En nog een.
“Dit zal je leren,” klonk de stem van zijn ondervrager woedend. “Het meisje zwanger maken!”
Een ongemeen felle klap trof Gospodins heup.
“Denk maar niet dat we een abortus erg zachtzinnig doen hier.” De slagen hielden niet op. “Ze zal nooit meer zwanger kunnen worden. Van jou niet, van niemand niet.”
Gospodin schreeuwde het uit.
“Dat zal jullie zogenaamde genieën leren in het wilde weg kinderen te fokken.”
Wanhopig probeerde Gospodin de slagen te ontwijken door zich zo klein mogelijk op te rollen tegen de muur van zijn cel.
“Voor mijn part komt ze nooit meer bij uit de operatie.”
De slag die Gospodins hoofd trof, kwam zo hard aan dat alles zwart werd voor zijn ogen; alsof langzaam het licht werd uitgedaan.
Gospodin kreunde. Waar ging de nachtmerrie over? Had hij Milena horen schreeuwen? Hij bewoog zijn benen en voelde het ruwe beton. Hoe was hij op de vloer terechtgekomen?
Versuft opende hij zijn ogen. De poten van de brits zweefden voor hem. Hij wilde zich oprichten, maar stokte toen hij vaag een gestalte op de brits zag zitten.
“Dat ziet er niet best uit, hè jongen?”
Gospodin herkende de stem van de man die majoor was genoemd en langzaam drong het tot hem door dat hij niet had gedroomd. Milena was zwanger. God, wat gingen ze met haar doen?
“Jullie blijven van haar af!” schreeuwde hij schor.
Hij wilde rechtop gaan staan, maar hij wankelde en zocht steun bij de muur.
De majoor stond op, sloeg zijn armen om Gospodins schouders en zette hem op de brits.
“Ik denk dat wij eens goed moeten praten.”
De majoor ging eveneens op de brits zitten, vouwde zijn armen in zijn nek en leunde achterover. Zijn bruine ogen keken Gospodin bedachtzaam aan.
“Alstublieft,” smeekte Gospodin, “doe haar niets. Het is niet haar schuld.”
De majoor schudde zijn hoofd. “Jij hebt je goed in de nesten gewerkt, niet?”
“Ik doe alles wat u wilt. Ik verhuis naar de andere kant van het land. Ik laat nooit meer iets van me horen. Ik…”
“Die abortus gaat gewoon door,” onderbrak de majoor Gospodins woordenstroom.
“Alstublieft,” zei Gospodin zwak.
“Dit is mijn voorstel.” De majoor keek Gospodin strak aan. “Als jij toestemt in de operatie, zorg ik ervoor dat je met je meisje kunt trouwen.”
Ongelovig staarde Gospodin naar de majoor. “U bedoelt…” stamelde hij.
“Uitsluitend als jij erin toestemt.”
Iets in de blik van de majoor waarschuwde Gospodin. “U doelt op meer dan een abortus. Tijdens die operatie wordt ze natuurlijk ook gesteriliseerd.”
De majoor bleef Gospodin strak aankijken.
“U wilt toch niet beweren dat…”
En plotseling begreep Gospodin de opzet. “Natuurlijk, de wet zegt dat mensen met niet bij elkaar passende IQ’s geen kinderen mogen krijgen, dus als Milena geen kinderen kán krijgen voldoen we aan de wet. Maar ik kan dat niet… U kunt van mij niet verwachten dat ik voor haar beslis dat ze nooit kinderen zal krijgen.”
“Dat gebeurt toch, met of zonder jouw toestemming. Ik kan het alleen makkelijker voor je maken als je toestemt in de operatie.”
“Waarom ik?”
“Ik mag in speciale gevallen afwijken van de regels.”
“Voor mij?”
“Jij lijkt oprecht verliefd op het meisje. Je neemt het voor haar op; dat kan ik waarderen. Geloof het of niet, jongen, maar ik mag je wel.”
“Als ik toestem in de operatie, laat u mij met haar trouwen?”
De majoor knikte.
“Hoe weet ik…?”
“Je hebt mijn woord, dat moet voldoende garantie zijn.”
Gospodin schudde zijn hoofd. “Alleen als ze er zelf ook achter staat. Dat moet u me toestaan.”
Een ogenblik leek de majoor te aarzelen. Toen stond hij op.
“Akkoord. Ik zal aan haar vragen of ze toestemt in een abortus.”
Hij liep naar de deur en riep een bevel, waarop de deur werd opengemaakt.
Voor hij naar buiten stapte, draaide de majoor zich om naar Gospodin. “En ik zal haar jouw huwelijksaanzoek overbrengen.”
De deur viel achter hem in het slot.
Gospodin ging op de brits liggen en sloot zijn ogen. Milena was zwanger geraakt.
Hij voelde de warmte van haar lichaam weer tegen zich aan.
Gespannen keek Gospodin naar de ingang van De Tap. Het was gaan motregenen, maar hij had niet naar binnen durven gaan, bang om Milena onder ogen te komen.
De deur van het café ging open en Gospodin kroop verder weg in de schaduw van het afdakje dat hij als schuilplaats had gekozen. Hij zag een paar bezoekers naar buiten komen en in de nacht verdwijnen.
Zou Milena hem ooit nog willen zien? Zijn vrienden hadden het vanmiddag goed voor hem verpest.
Weer ging de deur van het café open. Een eenzame bezoeker stapte naar buiten, schreeuwde een groet over zijn schouder en wankelde uit het zicht.
Toch was het ook zijn eigen schuld geweest. Hoe had hij kunnen denken dat hij zich met Milena in het openbaar kon vertonen zonder op te vallen? Hij moest inwendig lachen om hun naïviteit: omgaan als broer en zus; alsof ze nog kinderen waren.
De deur ging open en Gospodin voelde een schok door zich heengaan. In de streep geel licht die naar buiten viel, herkende hij de gestalte van Milena.
Ze bleef lange tijd stilstaan op de drempel en leek in de duisternis te turen. De deur viel achter haar dicht; nog steeds bleef ze staan.
Plotseling kwam ze in beweging. Ze stak de straat over en liep recht op hem af. Geschrokken drukte hij zich zo dicht mogelijk tegen de muur.
“Ben jij dat?” fluisterde ze in het duister van het afdakje.
Gospodin aarzelde even, maar deed toen een stap naar voren.
“Het spijt me.” “Ben je nog boos?” zeiden ze tegelijkertijd. Ze moesten lachen.
Gospodin keek in haar ogen en zag de weerspiegeling van een straatlantaarn een eindje verderop.
“Het spijt me. We hadden vanmiddag niet samen moeten gaan lunchen.”
“Het was mijn idee. Sorry.”
“Nee, verontschuldig je nou niet. Ik had moeten begrijpen dat het niet kon.”
“Maar dat is belachelijk,” riep Milena ineens kwaad uit. “Wat is dit voor een wereld waar een jongen en een meisje niet gewoon met elkaar om mogen gaan?”
“Rustig nou maar,” suste hij. “Laten we zorgen niet op te vallen.”
“Dat bedoel ik nu.” Ze liet haar toon zakken. “Kom mee, weg van hier.”
Gospodin wist zich amper te herinneren hoe hij in Milena’s kamer terecht was gekomen. Hij was met haar meegelopen, maar tijdens hun wandeling hadden ze niet veel tegen elkaar gezegd. Pas toen ze voor de deur van de meisjesstudentenflat stonden, was het tot Gospodin doorgedrongen waar ze heen was gegaan.
“Hier woon ik,” had ze tegen hem gezegd. “Ga je mee naar binnen?”
Hij had even tegengestribbeld, maar ze had hem gemaand snel mee te gaan om geen aandacht te trekken.
Op kousenvoeten was hij haar gevolgd naar haar kleine studentenkamer.
En nu zaten ze samen op de rand van haar bed.
“Is dit wel verstandig?” protesteerde het laatste restje van zijn door de wet opgetrokken verdediging.
“Nee, natuurlijk niet,” antwoordde Milena. Haar gezicht was zo dicht bij het zijne dat haar blauwe ogen hem loensend aankeken. “Maar dat kan me niets schelen.”
“Als iemand ons nu naar binnen heeft zien gaan en de politie waarschuwt?”
“In die regen? Nee hoor, iedereen zit lekker binnen.”
Haar hand streelde zijn rug. Voorzichtig kuste hij haar voorhoofd. Hij rook de zoete geur van haar lichaam.
“En als je zwanger raakt en…?” Hij stokte, geschrokken van zijn plotselinge vrijpostigheid, maar Milena schudde rustig haar hoofd.
“Dat gaat heus niet zo snel. En als het wel gebeurt…” Ze duwde hem met een plotselinge beweging op zijn rug en kwam op hem liggen.
Ernstig keken haar blauwe ogen hem aan.
“In het dorp waar ik ben opgegroeid woonde een debiele jongen. Hij was iets ouder dan ik en hij liep altijd achter me aan. Dan probeerde hij me op m’n mond te zoenen. Of takjes in mijn broekje te stoppen.”
“Wat moet je hekel hebben gehad aan die idioot.”
Ze haalde haar schouders op. “Eerst wel, maar later, toen ik leerde over de wet, dacht ik vaak dat ik ooit met hém zou trouwen. En ik begon hem met andere ogen te bezien. Hij kon het ook niet helpen dat hij zo was. In wezen was hij zelfs wel lief, want hij zou me nooit echt kwaad hebben gedaan, daar ben ik van overtuigd. Altijd als ik streng tegen hem zei op te houden, droop hij af. Dan kwam hij even later met een van zijn konijntjes naar me toe.”
Ze glimlachte bij die gedachte en keek even afwezig voor zich uit.
“Hij wist geen andere manier om je te vragen het weer goed te maken.”
Plotseling keek ze hem weer ernstig aan.
“Ik heb veel huwelijken gezien tussen debiele mannen en intelligente vrouwen, en ik heb gezien hoe veel van die mannen hun onvermogen om op gelijk niveau met hun vrouw te converseren afreageren met geweld. Ik wil geen man die al begint te slaan als je alleen maar suggereert dat hij minder begaafd is, alsof het woord debiel een scheldwoord is.”
“Mijn vader was zo niet,” wierp Gospodin tegen.
Met pijn dacht hij aan zijn vader, wiens inwendige misschien wel meer was verteerd door frustratie dan door regenboogpillen.
“Misschien niet. En mijn jeugdvriendje vast ook niet. Dus, wie weet, als ik ooit zwanger word, dan trouw ik met hem.” Ze keek hem veelbetekenend aan. “Denk je niet, dat zoiets vaker gebeurt?”
“Je bedoelt…?”
“Kijk niet zo geschokt.” Ze tikte speels tegen zijn neus. “Wees maar niet bang, ik vind het veel te vroeg om nu al een kind te krijgen. Ik wil eerst nog wat genieten.” Ze kuste hem teder op zijn mond. “Van jou bijvoorbeeld.”
Haar innige kus gaf hem geen gelegenheid nog iets te zeggen.
Gospodin staarde in de duisternis. Hij lag op zijn rug in bed, de warmte van Milena’s lichaam prettig tegen hem aangedrukt, en luisterde naar haar rustige ademhaling.
Verbaasd vroeg hij zich af hoe dit meisje in zo korte tijd zoveel voor hem kon zijn gaan betekenen. Hij had zich toch altijd heilig voorgenomen geen problemen met de wet te krijgen? Maar hij voelde totaal geen spijt. Wat dit meisje hem had gegeven was zo mooi en teder, dat kon geen wet van hem afnemen.
Bij de herinnering aan de lieve woordjes die ze in zijn oor had gefluisterd, kreeg hij bijna zin haar wakker te maken om opnieuw hartstochtelijk met haar te vrijen. Zacht streelde hij haar haar.
Abrupt werd hij uit zijn overpeinzingen gerukt door luid gebons op de deur.
“Politie! Doe open!”
Hij schoot rechtop in bed en staarde ontsteld naar de deur, waarvan de vorm duidelijk stond afgetekend door dunne strepen wit licht.
Mijn god! Het is gebeurd, dacht hij.
5
De celdeur werd geopend en de majoor kwam Gospodins cel binnen.
“Mooi, je hebt je trouwkostuum al aan,” constateerde hij met een minzame glimlach. “Je ziet, het heeft zijn voordelen in de gevangenis te trouwen, want we hebben je toch maar van een keurig kostuum voorzien. Het is wel niet van monarlon gemaakt, maar je bent vast niet zo modebewust. Je moet je bruid straks eens zien; ze ziet er beeldig uit. Er is je toch verteld dat de operatie volledig is geslaagd?”
Gospodin knikte.
“Goed, als je me dan wilt volgen naar de ruimte die we voor de gelegenheid als trouwzaal hebben ingericht. Het is wat eenvoudig, maar het kan ermee door. Ik hoop dat je begrijpt dat we je vrienden niet hebben uitgenodigd; dit soort dingen moeten we niet aan de grote klok hangen, wat jij?”
Opnieuw knikte Gospodin.
De majoor haalde een envelop uit zijn binnenzak.
“Dit is je vrijgeleide. Direct na de trouwplechtigheid krijg je een escorte naar je nieuwe woonplaats. En die van je vrouw. Je bent vrij om te gaan waar je wilt, als je maar nooit binnen een straal van honderd kilometer van hier komt.”
Hij overhandigde de envelop aan Gospodin en draaide zich om. “Kom, volg me.”
Met gemengde gevoelens liep Gospodin achter de majoor aan door de lange gangen. Zou hij straks echt mogen vertrekken? Samen met Milena? Hij had zich de afgelopen tijd vaak stiekem geknepen om te zien of hij niet droomde. De dagen in zijn cel, wachtend op bericht over Milena, hadden zo verschrikkelijk lang geleken.
Een soldaat salueerde en opende een deur.
Gospodin volgde de majoor naar binnen. Hij kwam in een kale ruimte.
“Laten we hier even wachten,” zei de majoor. “De trouwzaal is daarachter.” Hij wees op een tweede deur.
Een in een zwart uniform gestoken man kwam op Gospodin af.
“Gefeliciteerd, jongeman.” Gospodin herkende de stem van zijn ondervrager, de brute sergeant.
Voor het eerst zag hij het gezicht van de man, die duidelijk ouder was dan zijn superieur, de majoor. Kwam het door de herinnering aan de woede-uitbarstingen of zag Gospodin een meedogenloze blik in de dicht bij elkaar staande, staalblauwe kraalogen, een hardvochtige lijn om de vierkante kaken?
“Je hebt het ons niet makkelijk gemaakt, maar ik denk dat je je lesje hebt geleerd. Ik heb graag toestemming gegeven voor je huwelijk. Heb je je bruid al gezien?”
Gospodin schudde zijn hoofd.
“Ze kan er elk moment zijn,” zei de sergeant.
Op dat moment ging de deur open en Gospodin hield zijn adem in.
Milena kwam de ruimte binnen. Zijn Milena. Zijn bruid.
Ze was gekleed in een eenvoudige witte jurk, die tot net onder haar knieën reikte. Een bescheiden decolleté onthulde voorzichtig de zachte welving van haar borsten. Haar blonde haar, dat los over haar schouders hing, compenseerde het gebrek aan een echte sluier.
Gospodin slaakte een zucht van verlichting.
Nu pas drong het tot hem door hoe bang hij was geweest dat deze hele vertoning een bittere grap was. Hoe vaak had hij niet wanhopig gedacht Milena nooit meer te zien? Had de sergeant niet gedreigd dat ze nooit meer wakker zou worden uit de operatie? Maar hier was ze. Zijn bruid.
Hij liep op haar af en kuste haar.
“Dag liefje,” zei hij met een brok in zijn keel. “Ik ben zo blij dat je er bent.”
“Dag, Gos po din.” Ze sprak elke lettergreep van zijn naam langzaam en met nadruk uit. “Ik ga met jou trouwen, hè? Vind je m’n jurk mooi?”
Een vreemd gevoel overviel Gospodin. Wat was er met haar gebeurd? Hoe zwaar was ze mishandeld dat ze zo moeizaam sprak?
Hij keek over zijn schouder en zag de majoor en zijn ondergeschikte op een eigenaardige, gespannen manier naar hem kijken. Wat hadden ze met Milena gedaan?
Hij keek haar onderzoekend aan en zag de doffe blik in haar ogen.
Plotseling begreep hij wat er aan de hand was. Er waren haar verdovende middelen toegediend. Wilden ze hem een aan drugs verslaafde vrouw geven? Alsof hij dat niet kon overwinnen. Met Milena als bruid kon hij alles aan.
Zacht fluisterde hij: “Ja, liefste, je ziet er prachtig uit. Je bent de mooiste bruid die er ooit is geweest.”
Hij streelde haar lange blonde lokken en verstijfde. Geschokt staarde hij naar het litteken boven haar slaap. Een misselijkmakende angst kwam in hem op. Ze hadden toch niet…? Met trillende vingers draaide hij haar hoofd naar de andere kant en schoof haar haar opzij. Zijn keel leek te worden samengeknepen; ook boven haar andere slaap zag hij een litteken.
Hij keerde zich om en zag de grijns op het gezicht van de sergeant, de koele, triomfantelijke blik in de ogen van de majoor. Gospodins handen balden zich tot vuisten.
De deur werd geopend en een in een ceremonieel kostuum gestoken man kwam binnen.
“Gospodin F?” vroeg de man. “Ik mag u straks in de echt verbinden. Er is nog slechts één formaliteit.”
Hij haalde een paar vellen papier tevoorschijn. “Ik heb hier de IQ-certificaten van u en uw vrouw. De som van uw IQ’s bedraagt 194. U voldoet dus aan de wet en hebt officieel toestemming om te trouwen.”
Hij hield de documenten voor Gospodin.
“Ik ga trouwen,” zei Milena en ze klapte in haar handen. “Zie ik er niet mooi uit?”
Gospodin stond met gebalde vuisten. De ruimte leek om hem heen te tollen. Hij zag voor zich hoe hij de majoor hard op zijn gezicht sloeg; hoe hij de sergeant uit alle macht tussen de benen schopte.
Hij haalde diep adem en langzaam ontspanden zijn handen zich.
Hij strekte zijn arm en nam de IQ-certificaten aan.
Toen keerde hij zich naar Milena en sloeg een arm om haar heen.
“Ja, schat,” fluisterde hij, “je ziet er schitterend uit. Kom, dan vragen we deze meneer om ons huwelijk te voltrekken.”
Hij knikte naar de man, nam Milena bij de arm en liep met haar naar de trouwzaal.
