
“Symfonie voor Muzenburg,” las ze hardop. “Eerste deel.”
Scène
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 Epiloog
Het getik van regendruppels op de ruiten mengde zich met de voorzichtige tonen van een viool. Louise glimlachte terwijl ze aan de stemschroef draaide. De G-snaar was bijna zuiver. Ze streek de strijkstok nog een keer over de snaar en knikte tevreden. Perfect.
“Zo,” zei ze tegen de viool, terwijl ze het instrument liefdevol bekeek. Het had haar een week gekost om het verwaarloosde erfstuk van mevrouw De Vries weer bespeelbaar te maken. “Nu klink je weer zoals het hoort.”
Vanuit zijn mand bij de antieke potkachel tilde Lobbes zijn kop op. Zijn staart zwiepte zacht over de houten vloer toen Louise opstond, maar hij bleef liggen. Na acht jaar wist hij precies wanneer het uitlaattijd was, en dat was het nog lang niet.
Louise liep naar het grote raam van de winkel en keek naar buiten. De regen deed de kasseien van de Korte Kerkstraat glimmen in het licht van de straatlantaarns die, hoewel het nog geen vier uur was, al waren aangesprongen. Tussen de druppels op de ruit door zag ze de toren van de Grote Kerk, die sinds de zeventiende eeuw het hart van Muzenburg vormde. Het massieve gebouw leek de stad te beschermen tegen de donkere winterwolken.
Een groepje kinderen met muziekkoffers op hun rug holde voorbij, op weg naar de dependance van het conservatorium die was gevestigd in het oude kerkgebouw naast de Grote Kerk. Louises hand gleed over de viool. Zou ze hem vanmiddag nog langsbrengen bij mevrouw De Vries? Dan kon haar kleindochter Amy morgen weer naar haar les.
De winkel was gevuld met instrumenten. Violen en cello’s hingen aan de muren, een bescheiden collectie dwarsfluiten en klarinetten lag in de vitrine, en achterin stond een vleugel die wachtte op een grote beurt. De piano’s en vleugels in haar werkplaats waren haar specialiteit, maar ze onderhield alle instrumenten van de muziekschool. Het waren vooral de strijkinstrumenten die haar aan haar moeder deden denken. Die had altijd gezegd dat een viool een stem had, en dat je die stem moest leren verstaan voor je hem kon stemmen.
Een zachte bel klonk toen de winkeldeur openging. “Dag Louise! Wat een weer, hè?”
Louise draaide zich om. “Dag mevrouw De Vries! Ik was net aan u aan het denken. De viool is klaar.”
De oude dame veegde een verdwaalde regendruppel van haar wang. “O, wat fijn! Amy heeft haar les zo gemist. Ze wordt later vast net zo muzikaal als jij.”
Louise schudde haar hoofd. “Als ze het maar half zo goed doet als u vroeger. Mijn moeder vertelde altijd vol trots over uw optredens met het symfonieorkest.”
Een blos verscheen op de wangen van mevrouw De Vries. “Ach kind, dat is zo lang geleden. Maar het is lief dat je moeder dat nog wist. Ze was een bijzondere vrouw. Ik mis haar nog steeds als ik hier binnenkom.” Ze keek even om zich heen. “De winkel is nog precies zoals zij hem achterliet.”
Louise knikte. Ze wilde niet laten merken hoezeer die laatste opmerking haar raakte. Natuurlijk had ze niets veranderd. Ze had zelfs de antieke potkachel in ere gehouden, ook al was die niet meer nodig sinds de moderne verwarming was geïnstalleerd. Het was haar moeders winkel, haar moeders werk dat ze voortzette.
“Zal ik de viool even pakken?” vroeg ze, blij met een excuus om zich om te draaien. “Dan kunt u hem meteen meenemen.”
Louise had de vioolkist nog in haar handen toen de winkeldeur opnieuw openging. De bel klonk nu luider, alsof hij reageerde op het resolute gebaar waarmee de deur werd opengeduwd. In de deuropening stond een rijzige vrouw in een donkerblauwe regenjas. Waterdruppels vielen op de houten vloer terwijl ze haar paraplu uitschudde.
“Mevrouw Doorman!” Louise zette de vioolkist voorzichtig op de toonbank. “Wat een verrassing.”
“Louise.” De directrice van de conservatorium-dependance knikte kort naar mevrouw De Vries en richtte zich toen direct tot Louise. “Ik moet je dringend spreken.”
Er klonk iets in haar stem dat Louises aandacht trok. Judith Doorman stond bekend om haar directheid, maar nu klonk ze bijna… zenuwachtig?
“Natuurlijk.” Louise draaide zich naar mevrouw De Vries. “Als u me even wilt excuseren? De viool is klaar, ik zet hem hier voor u neer.”
Mevrouw De Vries pakte de kist aan. “Geen probleem, kind. Ik zie je gauw weer.” Met een begrijpende glimlach verliet ze de winkel.
Zodra de deur dichtviel, begon mevrouw Doorman te spreken. “Het gaat om de Bechstein.”
Louise verstijfde. De oude concertvleugel in het kerkgebouw. De laatste piano die haar moeder had gestemd.
“Er is toch niets mee gebeurd?” vroeg ze bezorgd.
“Nog niet.” Mevrouw Doormans stem klonk gespannen. “Maar we hebben een probleem. Een groot probleem.” Ze liep naar het raam en keek even naar buiten, alsof ze haar gedachten wilde ordenen. “Je weet dat het kerkgebouw dringend gerestaureerd moet worden?”
Louise knikte. Iedereen in Muzenburg wist dat. Het gebouw was een architectonisch juweeltje uit de late negentiende eeuw, maar het verval was de laatste jaren steeds zichtbaarder geworden.
“We hebben eindelijk een oplossing gevonden,” vervolgde mevrouw Doorman. “Een benefietconcert, vlak voor kerst. Een groots opgezet concert dat landelijke aandacht moet trekken.” Ze draaide zich om naar Louise. “En daarvoor hebben we de Bechstein nodig. In perfecte staat.”
Louise voelde haar hart overslaan. “Maar die vleugel is al jaren niet meer…” Ze stopte abrupt. Niet meer gestemd sinds haar moeder was overleden.
“Precies.” Mevrouw Doorman knikte. “En nu hebben we je hulp nodig. Jij bent de enige die…”
“Nee.” Het woord was er uit voor Louise er erg in had. “Het spijt me, maar dat kan ik niet.”
“Louise.” Mevrouw Doorman kwam dichterbij en legde een hand op haar arm. Haar stem klonk nu zachter. “Ik weet wat die vleugel voor je betekent. Maar dit is onze enige kans. Als het concert niet doorgaat, als we het geld niet bij elkaar krijgen…” Ze zuchtte. “Dan verhuist de muziekschool naar een modern pand aan de rand van het centrum. Een praktische oplossing, zegt de gemeente. Maar we verliezen de ziel van de muziek.”
Louise staarde naar de regendruppels die langs het raam liepen. Ze dacht aan alle keren dat ze als kind naar haar moeder had gekeken, die met eindeloos geduld de Bechstein stemde. De magie van die momenten, het gevoel dat muziek meer was dan alleen noten op papier.
“Wanneer moet het concert zijn?” hoorde ze zichzelf vragen.
“Op kerstavond.” Mevrouw Doorman klonk hoopvol. “We hebben een bijzondere solist op het oog, maar daar kan ik nu nog niets over zeggen.”
Louise sloot even haar ogen. Ze wist dat ze geen keuze had. Dit was haar moeders nalatenschap: niet alleen de winkel, maar ook haar liefde voor de muziek in Muzenburg.
“Goed,” zei ze zacht. “Ik zal het doen.”
Het carillon van de Grote Kerk begon te spelen, alsof het haar beslissing wilde onderstrepen. Louise glimlachte flauwtjes. Het klonk bijna als een waarschuwing.
De geur van oude muziekboeken en kaarsvet hing nog steeds in het kerkgebouw. Louise stond even stil in de hoge gang en luisterde naar het geluid van haar voetstappen dat wegstierf tegen de gewelven. Ergens in de verte klonk pianospel, een beginnende leerling die moeizaam door een simpele étude ploeterde.
Ze liep door naar de oude muziekzaal. Haar hand aarzelde even op de koperen deurknop. Toen ze de deur openduwde, prikte er iets achter haar ogen. De Bechstein stond precies zoals ze hem zich herinnerde, het zwarte hout glanzend in het licht dat door de hoge ramen naar binnen viel.
Een emmer stond onder een van de glas-in-loodramen om lekkend regenwater op te vangen. Tik… tik… tik… Het geluid van de druppels mengde zich met de verre pianoklanken tot een vreemde, melancholische melodie.
Louise liep langzaam naar de vleugel. “Hallo, oude vriend,” fluisterde ze. Voorzichtig opende ze de klep. Het mechaniek zag er nog goed uit, maar zou ongetwijfeld wat stroef zijn geworden. Ze drukte een toets in. De klank was dof, maar ze hoorde nog steeds die warme ondertoon waar haar moeder zo van hield.
Het was alsof ze haar stem weer hoorde. Een Bechstein is als een orkest, Louise. Elk register heeft zijn eigen karakter, zijn eigen stem. Je moet ze allemaal leren kennen voor je ze kunt stemmen.
Ze ging op de pianokruk zitten en liet haar vingers over de toetsen glijden. Ze was geen geweldige pianiste – dat talent had ze niet van haar moeder geërfd – maar ze kende de vleugel van binnen en van buiten. Als kind had ze urenlang toegekeken terwijl haar moeder het immense instrument stemde, eerst geboeid door de methodische bewegingen, later lerend over de subtiele verschillen in toonhoogte.
Een druppel viel in de emmer met een luide plons. Louise schrok op uit haar gedachten. Ze stond op en liep naar het raam. Door het glas-in-lood zag ze de tuin van de muziekschool, waar de oude lindeboom zijn kale takken naar de grauwe hemel strekte.
Tik… tik…
“Het wordt een hele klus,” zei ze hardop tegen de vleugel. Het instrument leek te wachten, geduldig zoals het al die jaren had gewacht. Ze opende haar gereedschapskoffer en haalde er een stemvork uit. De A klonk zuiver door de ruimte.
Een nieuwe druppel viel in de emmer. Louise glimlachte. Het klonk bijna als een antwoord.
Ze draaide zich om en liep terug naar de vleugel. Haar hand streek over het hout, voelde de kleine krasjes en imperfecties die het instrument karakter gaven. “Goed dan,” fluisterde ze. “Laten we beginnen.”
Het werd tijd dat de Bechstein weer ging zingen.
De volgende ochtend was de regen verdwenen. Een dunne laag rijp bedekte de oude stadswallen waar Louise met Lobbes haar dagelijkse ochtendwandeling maakte. De bruine labrador liep rustig naast haar, zijn adem vormde kleine wolkjes in de koude lucht.
Louise trok haar sjaal wat strakker. De winterse ochtend was helder, maar snijdend koud. Vanuit haar positie op de vestingwal had ze een mooi uitzicht over de binnenstad. De torenspits van de Grote Kerk priemde door de lichte nevel die boven de stad hing. De moderne nieuwbouw aan de horizon leek een andere wereld.
“Kom, Lobbes.” Ze daalde het oude vestingpad af dat naar het stadspark leidde. Het pad was pas gerestaureerd, zag ze. Tenminste íets wat de gemeente op tijd had aangepakt.
Bij het park aangekomen maakte ze de riem los. Lobbes keek even vragend op, alsof hij wilde controleren of het echt mocht.
“Ja hoor, ga maar.” Louise glimlachte. “Je weet waar je me kunt vinden.”
De hond draafde weg, zijn staart vrolijk omhoog. Louise sloeg haar gebruikelijke route in, langs de oude vestingmuur die hier overging in een brede singel. Het water lag er roerloos bij, een dunne ijslaag vormde zich aan de randen. Ze dacht aan de Bechstein. Vandaag zou ze beginnen met het grote werk. Eerst het mechaniek controleren, dan…
Een blaffende Lobbes onderbrak haar gedachten. Ze keek op en zag hem enthousiast op iemand afrennen die bij het oude muziekgebouw stond. De man – ze zag nu dat het een lange gestalte in een donkere winterjas was – maakte foto’s van de gevel.
“Lobbes!” riep ze. “Kom hier!”
Maar Lobbes luisterde voor het eerst in jaren niet. Hij sprong vrolijk tegen de man op, die zijn camera nog net op tijd hoger kon tillen.
“Het geeft niet,” riep de man toen Louise kwam aanrennen. “Ik ben dol op honden.” Hij aaide Lobbes over zijn kop, zich niet storend aan de modderige pootafdrukken op zijn jas.
“Het spijt me verschrikkelijk,” zei Louise. “Hij doet dit normaal nooit. Lobbes, foei!” De labrador kwispelde alleen maar harder.
De man lachte. “Hij heeft waarschijnlijk door dat ik hier nieuw ben. Honden voelen dat soort dingen aan.” Hij stak zijn hand uit. “Ik ben Tim.”
Louise schudde zijn hand. “Louise. En deze ongehoorzame rakker is dus Lobbes.” Ze bestudeerde de man wat beter. Hij had vriendelijke bruine ogen en zijn donkere haar was net iets te lang, alsof hij al een tijdje niet bij de kapper was geweest. “Bent u hier voor het gebouw?”
“Ja, ik…” Hij aarzelde even. “Ik ben gefascineerd door oude muziekgebouwen. De architectuur, de geschiedenis.” Hij wees naar boven. “Kijk bijvoorbeeld naar die ramen. De vorm is perfect voor de akoestiek. Je ziet dat vaker in gebouwen uit die tijd – ze begrepen toen al heel goed hoe je moest bouwen voor muziek.”
Louise knikte verrast. “Klopt. De architect heeft zich laten inspireren door concertzalen in Wenen, geloof ik.”
“Precies!” Tims ogen lichtten op. “Je kent de geschiedenis?”
“Ik kom hier vaak,” zei ze ontwijkend. “Voor mijn werk.”
“O? Wat doe je dan?”
Voor Louise kon antwoorden, klonk er een vrolijke meisjesstem. “Louise! Dag Lobbes!”
Amy kwam aangerend, haar rode haar danste op en neer onder haar muts. Ze droeg de vertrouwde vioolkist op haar rug.
“Dag Amy,” zei Louise. “Op weg naar je les?”
Het meisje knikte. “Met de nieuwe viool! Oma zei dat je hem helemaal gemaakt hebt.”
“Mooi,” glimlachte Louise. “Dan kun je weer fijn oefenen.” Ze draaide zich om naar Tim, maar die was verdwenen. In de verte zag ze zijn lange gestalte weglopen over het besneeuwde pad.
Lobbes jankte zacht.
“Stil maar,” zei Louise, terwijl ze zich bukte om hem te aaien. “Hij komt vast nog wel eens terug.”
Ze wist niet waarom ze dat zei, of waarom ze hoopte dat het waar was.
Louise keek nog even naar de plek waar Tim was verdwenen, toen ze Lobbes voelde trekken aan zijn riem. Hij snuffelde aan de grond waar Tim had gestaan en keek haar toen aan met wat verdacht veel leek op een verwijtende blik.
“Ja, ik weet het,” mompelde ze. “Je wilde nog met hem spelen.” Ze dacht aan hoe vriendelijk Tim had gereageerd toen Lobbes tegen zijn dure jas opsprong. Hij had dan wel gedaan alsof het niet erg was, maar de meeste mensen zouden minder begripvol zijn geweest als een modderige labrador tegen hen op was gesprongen.
“Louise?” Amy stond er nog steeds. “Ken je die meneer?”
“Nee,” zei Louise. “Hij is nieuw hier. Hij maakte foto’s van het gebouw.”
“O.” Amy frunnekte aan het handvat van haar vioolkist. “Hij leek aardig. Net als jij toen je nieuw was.”
Louise glimlachte. Amy had een manier om dingen te zeggen die je aan het denken zetten. “Ik ben niet nieuw, lieverd. Ik ben hier geboren.”
“Ja, maar je was nieuw als pianostemmer. Toen oma’s viool nog niet gemaakt was. Nu ben je gewoon van ons.” Ze keek op haar horloge. “O, ik moet gaan! Dag Louise!”
Louise zwaaide het meisje na. Gewoon van ons. Zo voelde het inderdaad. Na haar moeders dood had ze zich vaak afgevraagd of ze de winkel wel kon voortzetten, of de mensen haar net zo zouden vertrouwen als haar moeder. Maar Amy had gelijk – ze hoorde hier nu.
Lobbes trok weer aan de riem.
“Vooruit dan maar.” Ze liepen verder langs de singel. Een eend waagde zich op het dunne ijs aan de rand, gleed uit en vloog verschrikt op. Louises gedachten dwaalden af naar Tim. Er was iets in de manier waarop hij over het gebouw sprak… Alsof hij meer wist dan hij wilde toegeven.
Bij de oude watermolen sloeg ze rechtsaf, het pad op dat terugvoerde naar de binnenstad. Ze moest opschieten – er wachtte een vleugel op haar. Waarom leek Tim zo geheimzinnig te doen over waarom hij hier was? En waarom was hij zo abrupt verdwenen toen Amy kwam?
Lobbes blafte naar een kat die over de vestingmuur sloop.
“Je hebt gelijk,” zei Louise tegen hem. “Het gaat ons niets aan. Kom, we gaan naar huis. Er is werk te doen.”
Maar toen ze even later haar winkel opende, moest ze toegeven dat ze meer aan Tims bruine ogen dacht dan aan de Bechstein die op haar wachtte.
Louise opende de deur van de muziekzaal en bleef abrupt staan. Er zat iemand achter de Bechstein. Zachte tonen zweefden door de ruimte, aarzelend eerst, toen vloeiender. Het klonk als een improvisatie, maar met een techniek die ver boven het niveau van een muziekschoolleerling lag. Ze wilde iets zeggen, maar de muziek hield haar tegen. De melodie deed haar denken aan vallende regendruppels, aan…
De muziek stopte plotseling. Tim draaide zich om op de pianokruk. “Het spijt me,” zei hij snel. “Ik had niet…”
“Jij!” Louises stem klonk schriller dan ze wilde. “Wat doe je hier?”
“Eh…” Tim stond snel op, waarbij zijn knie tegen de pianokruk stootte. “Mevrouw Doorman vroeg of ik wilde helpen. Met het concert.” Hij wreef over zijn been. “Au.”
Louise zette haar gereedschapskoffer neer. “Als vrijwilliger?”
“Zoiets.” Hij glimlachte verlegen. “Je jas is gelukkig schoner dan die van mij.”
Nu moest ze ook glimlachen. “Het spijt me nog steeds van Lobbes. Hij is normaal echt niet zo…”
“…dat doet hij anders nooit?” Tims bruine ogen twinkelden. “Dat zeggen alle hondeneigenaren.”
“Maar het is echt waar!” protesteerde ze, voor ze zijn plagerige grijns zag. “O. Je maakt een grapje.”
“Een beetje.” Hij knikte naar de vleugel. “Dus jij bent de pianostemmer?”
Louise knikte. Ze liep naar de Bechstein en liet haar hand over het hout glijden. “Was dat net een eigen compositie?”
“Nee, gewoon wat…” Hij maakte zijn zin niet af. “Ik wilde alleen even proberen hoe hij klonk.”
“En? Wat vind je ervan?”
“Hij heeft karakter.” Tim drukte voorzichtig een toets in. “Je hoort dat het een bijzonder instrument is, zelfs nu hij ontstemd is. Die warme ondertoon in het middenregister…”
Louise keek hem verrast aan. “Je weet veel van piano’s.”
“Ik…” Hij aarzelde weer. “Ik ben ermee opgegroeid.” Hij deed een stap achteruit. “Maar ik houd je van je werk. Ga vooral je gang.”
Louise opende haar gereedschapskoffer en haalde er een stemsleutel uit. Vanuit haar ooghoeken zag ze Tim kijken. Zijn handen rustten op de rand van de vleugel, de vingers licht gebogen alsof ze klaar waren om te spelen. Het waren de handen van een pianist, realiseerde ze zich.
“Je mag blijven, hoor,” hoorde ze zichzelf zeggen. “Als je wilt.”
Tim knikte langzaam. “Graag. Ik ben benieuwd naar je aanpak.” Hij schoof de pianokruk naar achteren. “Zal ik je helpen met het demonteren van het frontpaneel?”
Weer keek Louise verrast op. De meeste mensen wisten niet eens dat een vleugel gedemonteerd kon worden.
Tim glimlachte bijna verontschuldigend. “Ik zei toch dat ik ermee was opgegroeid?”
Zwijgend werkten ze samen. Tim bleek precies te weten wat hij moest doen. Zijn bewegingen waren zeker, alsof hij dit al honderden keren had gedaan. Louise voelde zich vreemd rustig worden van hun woordeloze samenwerking. Dit was anders dan wanneer ze alleen werkte.
Een straaltje zonlicht viel door het glas-in-loodraam naar binnen, weerkaatste op het mechaniek van de Bechstein en toverde regenboogkleuren op de muur. Louise keek op en ving Tims blik. Even keken ze elkaar aan, toen richtten ze zich beiden weer op hun werk.
De emmer onder het raam was leeg. Het had eindelijk opgehouden met regenen.
Het was al ver in de middag toen Louise de laatste demper controleerde. Ze had Tim laten helpen met het schoonmaken van het mechaniek – hij had verrassend handige vingers voor een vrijwilliger – maar het stemmen zelf wilde ze alleen doen. Hij had dat begrepen en was verdwenen, zeggend dat hij ‘nog wat te regelen had’ voor het concert.
Nu lag het binnenwerk van de Bechstein open als een anatomische tekening. Louise boog zich voorover om een van de hamertjes beter te kunnen zien. Er zat een vreemde verkleuring op het vilt…
Ze stak haar hand uit en voelde achter het hamertje. Haar vingers raakten iets aan dat aanvankelijk als een verdwaald stuk vilt aanvoelde, maar papier bleek te zijn. Voorzichtig trok ze het tevoorschijn.
Het was een map. Geen moderne kartonnen map, maar een van dat dikke, bijna textielachtige papier dat vroeger werd gebruikt. Het was vergeeld aan de randen en had een merkwaardige geur, als van oude boeken en kaarsenrook.
Louises handen trilden toen ze de map opende. De eerste pagina was een partituur, handgeschreven met een sierlijk handschrift dat ze herkende van de bladmuziek die nog altijd in haar moeders bureau lag.
“Symfonie voor Muzenburg,” las ze hardop. “Eerste deel.” Onderin stond een datum: 1985.
Er viel iets uit de map, een losse notitie op een vergeeld velletje papier. Louise herkende het handschrift van haar moeder.
Overleg gehad met Marcus. De tweede piano-partij moet lichter, meer als een tegenstem. Probeer morgen nieuwe versie.
Marcus? Louises hart sloeg een slag over. Marcus van Heemstra was de componist die jarenlang in Muzenburg had gewoond en lesgegeven. Hij was een levende legende geweest, maar had moeten stoppen met componeren door een ernstige ziekte. Hij was kort daarna overleden. Louise was nog klein geweest, maar ze herinnerde zich hoe haar moeder had gehuild bij het nieuws van zijn dood.
Met bevende vingers bladerde ze door de partituur. Het was geen gewone compositie…
“Louise?”
Ze schrok op. Tim stond in de deuropening met twee dampende bekers. “Ik dacht dat je wel toe zou zijn aan koffie,” zei hij. Toen zag hij haar gezicht. “Is er iets?”
Louise knikte sprakeloos. Tim zette de bekers op een tafel en kwam naast haar staan. Zijn schouder raakte de hare toen hij zich vooroverboog om in de map te kijken.
“Dit is…” Hij stokte. “Is dit wat ik denk dat het is? Van Heemstra?”
“Ken je zijn werk?” Louise keek opzij, verrast door de emotie in zijn stem.
Tim knikte langzaam. “Marcus van Heemstra was een visionair. Zijn laatste werk zou een synthese worden van klassieke en moderne elementen, maar hij heeft het nooit afgemaakt.” Hij wees naar de notitie. “Deze handgeschreven aantekening… dat is een ander handschrift… je moeder?”
“Ja.” Louise voelde tranen opwellen. “Ze stemde zijn vleugel. Ik wist niet dat ze… dat ze…” Ze kon haar zin niet afmaken.
Tims hand raakte even haar arm aan. “Dit is een belangrijke vondst,” zei hij zacht. “Maar het manuscript is niet compleet, zie je? Er ontbreken pagina’s.”
Louise knikte. Ze veegde haar ogen af en rechtte haar rug. “We moeten uitzoeken wat dit betekent. Waarom het in de vleugel zat. Waarom mijn moeder…”
“We?” Tim glimlachte. “Bedoel je dat ik mag helpen?”
Louise keek hem aan. Er was iets in zijn ogen, een mengeling van enthousiasme en iets anders… Begrip?
“Ja,” zei ze. “Als je wilt.”
De zon was nu zo gedraaid dat het licht direct door het glas-in-loodraam naar binnen viel. Het wierp een caleidoscoop van kleuren over de oude partituur, alsof de noten tot leven kwamen in het middaglicht.
Het oude stadhuis van Muzenburg was een van die gebouwen die je normaal gesproken achteloos voorbijliep, maar als je eenmaal omhoog keek, zag je de rijke details: gebeeldhouwde muziekinstrumenten in de gevel, engeltjes met trompetten, zelfs een klein carillon in de klokkentoren. Louise had Tim verteld dat het archief zich op de bovenste verdieping bevond. Nu stonden ze samen in de hal, waar een vriendelijke maar resolute archivaris hen de weg wees.
“Derde verdieping, laatste deur links.” De vrouw keek even naar de map in Louises handen. “Zoekt u iets specifieks?”
“Informatie over Marcus van Heemstra,” antwoordde Louise. “En over de muziekschool in de jaren tachtig.”
De archivaris knikte bedachtzaam. “Dan moet u in sectie K zijn. Kunst en cultuur.” Ze glimlachte. “Veel succes.”
De trap kraakte toen ze naar boven liepen. Louise voelde de spanning in haar schouders. Wat zouden ze vinden? En belangrijker: zou het helpen het mysterie van de onvoltooide compositie op te lossen?
De archiefruimte was precies zoals je zou verwachten: hoge houten kasten vol mappen en dozen, een groot raam dat uitkeek over de binnenstad, en die typische geur van oud papier. Een antieke leeslamp op een massief bureau wierp een warm licht over het werkblad.
“Hier.” Tim wees naar een kast met het label ‘K’. “Zal ik de bovenste planken doen?”
Louise knikte en begon de onderste laden door te zoeken. Even werkten ze in stilte, alleen onderbroken door het ruisen van papier en het zachte gekraak van de houten vloer als een van hen zich bewoog.
“Kijk!” Tim kwam naast haar staan met een vergeelde krant. “De Muzenburgse Courant van 1985. Er staat een interview in met Van Heemstra.”
Louise boog zich naar hem toe om mee te kunnen lezen. Ze rook zijn aftershave, een subtiele geur die haar deed denken aan cederhout.
“‘Van Heemstra spreekt over nieuwe compositie,’ ” las Tim voor. “‘Het wordt een ode aan Muzenburg. Ik wil de stem van de stad vangen, haar geschiedenis en haar toekomst.’ ” Hij keek op. “En hier: ‘De première staat gepland voor kerstavond 1986.’ “
“Maar dat concert heeft nooit plaatsgevonden,” zei Louise zacht. “Hij werd ziek in de zomer van ’86.”
Tim bladerde verder door de krant. “Hier staat ook iets over je moeder. ‘Elizabeth Martens, de vaste pianostemmer van het conservatorium…’ ” Hij stokte. “Er staat dat ze meer deed dan alleen stemmen. Ze adviseerde Van Heemstra over de klankkleur van zijn composities.”
Louises hart sloeg een slag over. “Laat eens zien?”
Terwijl ze zich vooroverboog om het artikel te lezen, viel er iets uit de krant. Een oude foto. Louise raapte hem op en staarde naar het vergeelde beeld. Een man zat achter een vleugel, naast hem stond een jonge vrouw die Louise direct herkende als haar moeder. Ze lachten beiden naar de camera.
“Dat moet in de muziekschool zijn,” zei Tim zacht. Hij wees naar het glas-in-loodraam op de achtergrond. “Dezelfde ramen als nu.”
Louise knikte. Ze kon even niets zeggen.
“Volgens het onderschrift werkte Van Heemstra aan een nieuwe techniek,” vervolgde Tim, wijzend naar het artikel. “Hij experimenteerde met resonanties. Het zou revolutionair zijn geweest.” Hij aarzelde even. “Je moeders aantekening… denk je dat…”
“Dat zij wist waaraan hij werkte?” Louise keek op van de foto. “Maar waarom heeft ze daar nooit iets over verteld?”
“Misschien omdat het nooit is afgemaakt?” Tims stem klonk zacht. “Soms zijn de mooiste dromen degene die nooit werkelijkheid werden.”
Louise voelde zijn blik op zich rusten. Er lag iets in zijn woorden dat verder ging dan alleen het verhaal van haar moeder en Van Heemstra.
Het carillon in de toren begon te spelen. Het klonk als een echo uit het verleden, een herinnering aan alle muziek die ooit door de straten van Muzenburg had geklonken.
“We moeten verder zoeken,” zei ze uiteindelijk. “Er moet meer zijn.”
Tim knikte. “Ik help je.”
Buiten begon het opnieuw te motregenen, maar zij merkten het niet. Verdiept in oude kranten en documenten vergaten ze de tijd, tot de archivaris kwam zeggen dat ze gingen sluiten.
Schuldbewust om zich heen kijkend of de archivaris het niet zag, stopte Louise de foto van haar moeder en Van Heemstra voorzichtig in haar tas. Ze ving Tims blik en zag hem begrijpend knikken.
“Sommige herinneringen,” fluisterde ze tegen hem terwijl ze naar de trap liepen, “moeten gewoon bewaard blijven.”
“En krijgen een mooi plekje in de winkel?” vroeg hij zacht.
Louise glimlachte. Het voelde fijn dat hij het begreep.
De avond was al gevallen toen ze terugkwamen in de muziekzaal. Louise had aangeboden om morgen verder te gaan, maar Tim had erop gestaan de melodie minstens één keer te proberen. “Nu de spanning nog op de snaren staat,” had hij gezegd, en ze had geknikt, ook al vermoedde ze dat hij andere redenen had om te willen blijven.
Ze legde de gevonden bladmuziek op de lessenaar. De noten waren vergeeld maar nog goed leesbaar in het warme licht van de oude kroonluchter. Buiten ritselde de motregen tegen de ramen.
“Zal ik…?” Tim maakte zijn vraag niet af, maar zijn handen zweefden al boven de toetsen.
Louise knikte. “Ga je gang.”
Hij begon voorzichtig, alsof hij de noten eerst wilde leren kennen. Maar al snel werd zijn spel vloeiender. De melodie was anders dan Louise had verwacht – tegelijk modern en klassiek, met onverwachte wendingen die haar deden denken aan de manier waarop zonlicht door de glas-in-loodramen viel, steeds in andere kleuren.
Tim stopte plotseling. “Er mist iets.” Hij bladerde terug. “Kijk, deze harmonische progressie… die vraagt om een antwoord dat er niet is.”
Louise boog zich over zijn schouder om de passage te bekijken. Ze rook weer die subtiele geur van cederhout. “Je bedoelt dat er een tweede stem zou moeten zijn?”
“Precies.” Zijn vingers gleden over de noten. “Het is alsof je maar één kant van een gesprek hoort.” Hij speelde de passage opnieuw, maar nu met kleine variaties, zoekend naar mogelijke aanvullingen.
Louise staarde naar zijn handen. Dit was geen vrijwilliger die ‘een beetje’ piano speelde. Dit was iemand die het klavier beheerste als… Plotseling wist ze het. Ze had die techniek eerder gezien, op YouTube, bij een concert in het Concertgebouw dat viral was gegaan omdat…
“Tim?” Haar stem klonk scherper dan ze wilde.
Hij keek op en zag haar blik. Zijn handen verstijfden boven de toetsen.
“Je bent Tim van Beresteyn,” zei ze zacht. “De concert-“
“Niet.” Hij stond abrupt op. “Alsjeblieft.”
“Maar waarom-“
“Ik kan dit niet.” Hij deed een stap achteruit. “Het spijt me. Ik had niet… Dit was een vergissing.”
“Tim, wacht!” Maar hij was al bij de deur. Even bleef hij staan, zijn hand op de deurknop.
“Je moeder…” zei hij zonder om te kijken. “Ze moet bijzonder zijn geweest. Die aantekening… ze begreep precies wat Van Heemstra probeerde te doen.” Hij aarzelde. “Net als jij.”
Voor Louise kon antwoorden was hij verdwenen. Ze hoorde zijn voetstappen wegsterven in de gang.
Ze ging zitten op de pianokruk en staarde naar de bladmuziek. Nu begreep ze waarom zijn spel haar zo had geraakt – ze had zonder het te weten geluisterd naar een van Nederlands meest gevierde pianisten. Tot hij een jaar geleden plotseling was gestopt met optreden.
Ze drukte een toets in. De klank galmde door de lege ruimte.
Net als jij, had hij gezegd. Wat had hij daarmee bedoeld?
Buiten klonk het carillon van de Grote Kerk, negen doffe slagen die weergalmden in de avondstilte. Louise sloot de klep van de Bechstein. Morgen zou ze verder gaan met stemmen. En misschien, als ze geluk had, zou Tim terugkomen om het mysterie van Van Heemstra’s laatste compositie op te lossen.
Als hij durfde.
Louise was vroeg die ochtend. Ze had nauwelijks geslapen, haar gedachten steeds terugkerend naar de avond ervoor, naar Tims vingers op de toetsen van de Bechstein, naar zijn abrupte vertrek. Ze had behoefte aan de rust van haar winkel, aan het vertrouwde tikken van haar gereedschap.
Ze stak de sleutel in het slot, maar voordat ze de deur kon opendraaien, hoorde ze opgewonden stemmen. Amy kwam aangerend, haar rode haar wild onder haar muts uit.
“Louise! Louise! Kijk!” Het meisje zwaaide met haar mobiel. “Oma zegt dat hij het is! Hij gaat echt spelen met kerst!”
“Wat? Wie…” begon Louise, maar ze werd onderbroken door mevrouw De Vries die kwam aanlopen, een krant in haar hand.
“Kind,” zei de oude dame ademloos, “heb je het al gehoord? Tim van Beresteyn! In óns muziekgebouw!”
Louises hart sloeg over. “Wat bedoelt u?”
“Hier.” Mevrouw De Vries duwde haar de krant in handen. “Het staat op de voorpagina.”
Louises ogen vlogen over de kop: EXCLUSIEF – Keert pianist Tim van Beresteyn terug op het podium? Daaronder een grote foto van Tim, elegant in rokkostuum achter een concertvleugel. Hij keek weg van de camera, zijn gezicht half in schaduw. De foto moest van voor zijn verdwijning zijn.
“‘Betrouwbare bronnen melden dat Van Beresteyn, die vorig jaar na een spraakmakend laatste optreden zijn carrière beëindigde, zal spelen tijdens het benefietconcert in Muzenburg,’ ” las mevrouw De Vries voor over Louises schouder. “‘De gevierde pianist…’ “
Maar Louise luisterde al niet meer. Ze las verder in het artikel: …een merkwaardige keuze voor zijn comeback… klein provinciaal podium… muziekkenners speculeren over zijn motieven… het beruchte concert waarbij…
“Louise?” Amy trok aan haar mouw. “Ken jij hem? Ik zag hem gisteren bij jou in de winkel!”
“Wat?” Mevrouw De Vries keek verrast op. “Was hij in je winkel?”
“Nee,” zei Louise automatisch. “Ik bedoel… hij hielp alleen met…”
Op dat moment ging de deur van de bakkerij open. Meer mensen kwamen de straat op. Louise ving flarden van gesprekken op.
“…Van Beresteyn, ja echt…”
“…dat concert vorig jaar…”
“…zou het waar zijn…?”
“Kom.” Mevrouw De Vries pakte Louises arm. “Laten we naar binnen gaan.”
Louise knikte dankbaar. Haar vingers beefden zo dat ze de sleutel amper in het slot kreeg.
De winkel was koel en stil. Lobbes, die in zijn mand lag, keek slaperig op.
“Zo,” zei mevrouw De Vries terwijl ze de deur achter hen sloot. “En nu vertel je me precies wat er aan de hand is.”
Louise staarde naar de foto in de krant. Tim keek langs haar heen, zijn handen rustend op toetsen die ze niet kon zien.
“Ik…” begon ze, maar ze wist niet hoe ze moest uitleggen wat ze zelf nog niet begreep.
Amy wees naar de vleugel achterin de winkel. “Heeft hij daarop gespeeld?”
“Nee,” zei Louise zacht. “Op de Bechstein.”
Ze hoorde mevrouw De Vries scherp inademen. “De Bechstein? Maar die heeft niemand aangeraakt sinds je moeder…”
Louise knikte. “Ik weet het.”
Buiten klonk geroezemoes van meer stemmen. Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje door het stadje.
“Waarom heeft hij het niet verteld?” vroeg Amy.
Louise keek op van de krant. In de ogen van het meisje zag ze de vraag die ze zelf ook had: waarom had hij hen niet vertrouwd?
“Soms,” zei mevrouw De Vries zacht, “zijn de redenen om iets niet te vertellen belangrijker dan het vertellen zelf.”
Louise vouwde de krant dicht. Ze wist wat ze moest doen.
“Amy,” zei ze, “zou je je oma alleen naar huis willen brengen? Ik moet nog ergens heen.”
“Je gaat hem zoeken?” vroeg het meisje.
Louise knikte. “Ja. Want dit…” ze tikte op de krant, “dit is niet zijn hele verhaal.”
Louise liep snel door de straten van Muzenburg, de opgerolde krant nog in haar hand geklemd. Ze had geen bepaald doel, ze wilde alleen weg van de opgewonden stemmen, van de blikken die haar kant op werden geworpen als mensen haar herkenden als ‘die pianostemmer die hem heeft geholpen’.
Bij het oude poortgebouw bleef ze staan. De letters ‘Anno 1647’ waren vervaagd maar nog leesbaar in de verweerde steen. Bijna vier eeuwen geschiedenis, en zij had gedacht dat ze Tim kon vertrouwen omdat hij interesse toonde in oude gebouwen.
Ze vouwde de krant open en las het artikel nog een keer. …na het dramatische concert waarbij Van Beresteyn midden in Rachmaninovs Tweede Pianoconcert opstond en van het podium wegliep, tot verbijstering van het publiek en het orkest…
“Louise?”
Ze schrok op. Mevrouw Doorman stond voor haar, een bezorgde blik in haar ogen.
“Je hebt het gelezen.”
Louise knikte kort.
“Ik wilde het je vertellen,” zei de directrice. “Maar hij wilde het zelf doen. Op zijn tijd.”
“Zijn tijd?” Louises stem klonk scherp. “Wanneer zou dat zijn? Als het concert voorbij was? Als hij weer was verdwenen?”
“Het is niet wat je denkt.” Mevrouw Doorman deed een stap dichterbij. “Hij kwam hier om de Bechstein. Hij had gehoord over het benefietconcert en…”
“En wat? Dacht hij dat dit een mooie comeback zou zijn? Een aandoenlijk verhaal over een verloren pianist die terugkeert in een klein stadje?” Louise voelde tranen opkomen. “Hij heeft me gebruikt. Net zoals Van Heemstra mijn moeder gebruikte.”
“Dat is niet waar en dat weet je.”
“O nee?” Louise zwaaide met de krant. “Waarom staat hier dan dat ‘bronnen melden’ dat hij zal optreden? Hij heeft het zelf gelekt naar de pers. Voor de publiciteit.”
“Louise…” Mevrouw Doorman aarzelde. “Er is nog iets dat je moet weten. Het gebouw… de kosten van de restauratie zijn hoger dan we dachten. Veel hoger.” Ze wreef vermoeid over haar voorhoofd. “Als het concert geen succes wordt, verhuist de muziekschool niet alleen naar nieuwbouw. We moeten ook bezuinigen. Docenten ontslaan. Misschien zelfs…”
“De Bechstein verkopen?”
De directrice knikte langzaam. “Die heeft het meeste waarde. Na restauratie.”
Louise staarde naar de oude poort. Was dat waarom Tim had aangeboden te helpen? Om de vleugel speelklaar te maken voor de verkoop?
“Je moeder zou dat begrepen hebben,” zei mevrouw Doorman zacht.
“Mijn moeder?” Louise draaide zich om. “Mijn moeder geloofde in muziek. In wat het met mensen doet. Ze was geen…” Ze zocht naar woorden. “Ze was geen handelaar in antieke instrumenten.”
“Nee.” De directrice glimlachte triest. “Ze was iemand die begreep dat sommige dingen belangrijker zijn dan persoonlijke gevoelens.”
Louise dacht aan de foto die ze gisteren had gevonden. Haar moeder en Van Heemstra, lachend bij de vleugel. Hoeveel dromen waren er in die oude muziekzaal geboren? En hoeveel waren er gebroken?
“Ik moet gaan,” zei ze. “Er wachten klanten.”
Maar toen ze zich omdraaide, zag ze dat de straat leeg was. Iedereen was waarschijnlijk nog opgewonden over het grote nieuws aan het discussiëren. Over de beroemde pianist die hun kleine stadje had uitgekozen voor zijn comeback.
De pianist die ze had vertrouwd. Die haar had laten geloven dat…
Ze schudde haar hoofd en liep terug naar haar winkel. Ze had werk te doen. De Bechstein wachtte nog steeds op haar, of hij nu verkocht zou worden of niet.
Maar voor het eerst sinds ze de winkel had overgenomen, voelde het stemmen van piano’s als een last.
De volgende dagen probeerde Louise zich op haar werk te concentreren, maar haar hart was er niet bij. Ze stemde een piano in het bejaardentehuis, repareerde een klarinet voor een van Amy’s klasgenootjes, en probeerde niet te denken aan de Bechstein die nog steeds op haar wachtte in de muziekschool.
Op een late middag besloot ze met Lobbes een extra lange wandeling te maken. De kou zou haar goeddoen. Bij de bocht in de gracht, waar oude herenhuizen zich spiegelden in het donkere water, bleef ze even staan. De lantaarns waren net aangegaan en overal in de stad werden de eerste kerstversieringen opgehangen. In de etalage van banketbakker Van Dongen stonden marsepeinen kerstfiguren tussen kandelaars met rode kaarsen. De geur van versgebakken speculaas dreef naar buiten telkens als de deur openging.
“Dag Louise! Dag Lobbes!” Amy kwam aangefietst, haar rode haar vol sneeuwvlokjes. Het was begonnen met zachtjes sneeuwen, besefte Louise. “Kom je ook warme chocolademelk drinken? Ze hebben een kraampje neergezet bij het plein!”
Louise schudde haar hoofd. “Een andere keer misschien.”
“Met slagroom!” probeerde Amy nog, maar toen ze Louises gezicht zag, zwaaide ze alleen maar en fietste door.
Lobbes trok aan de riem, alsof hij het meisje wilde volgen. “Nee,” zei Louise zacht. “Wij gaan deze kant op.”
Ze liep verder langs de gracht. Vroeger vond ze dit haar favoriete tijd van het jaar, als de lichtjes in de bomen werden gehangen en kerststerren in de ramen verschenen. Nu voelde het allemaal zo…
“Louise.”
Ze verstijfde. Die stem. Ze draaide zich langzaam om.
Tim stond een paar meter verderop, sneeuwvlokken dwarrelend om hem heen. Hij droeg dezelfde donkere jas als toen Lobbes tegen hem op was gesprongen, maar nu zag ze pas hoe elegant die eigenlijk was.
Lobbes kwispelde en wilde naar hem toe, maar Louise hield hem tegen.
“Alsjeblieft,” zei Tim. “Kunnen we praten?”
Louise wilde weglopen, maar er was iets in zijn stem dat haar tegenhield. “Waarover? Over hoe je hebt gelogen? Of over hoe je dit stadje gebruikt voor je comeback?”
“Is dat wat je denkt?” Hij deed een stap dichterbij. “Dat ik hier ben voor publiciteit?”
“Waarom ben je hier dan wel?”
Hij keek naar het water van de gracht, waar de lichtjes uit de bomen in weerspiegelden. “Weet je nog wat je zei over je moeder? Dat ze de stem van een viool moest leren kennen voor ze hem kon stemmen?”
Louise knikte aarzelend.
“Dat is precies wat er mis ging. Bij dat concert.” Hij slikte. “Ik kende de muziek. Elk detail, elke nuance. Maar ik was de stem kwijtgeraakt. Mijn eigen stem.” Hij keek haar aan. “Tot ik hier kwam. En jou de Bechstein hoorde stemmen.”
“Wat bedoel je?”
“Je luisterde. Niet naar de techniek, niet naar de perfectie, maar naar wat de piano je vertelde.” Hij glimlachte flauwtjes. “Net als je moeder deed met Van Heemstra’s muziek.”
Louise voelde tranen opkomen. “Maar waarom heb je het me niet verteld?”
“Omdat ik bang was.” Hij deed nog een stap dichterbij. Ze rook weer die vage geur van cederhout. “Bang dat je me anders zou behandelen als je wist wie ik was. Dat je me zou zien als die pianist die van het podium wegliep, in plaats van gewoon… Tim.”
Vanuit de verte klonk gelach. Bij het kraampje met warme chocolademelk had zich een groepje mensen verzameld. Amy’s rode haar was duidelijk zichtbaar tussen hen in.
“Ik wilde het je vertellen,” vervolgde Tim. “Die avond met het manuscript. Maar toen raakte ik in paniek. Het voelde allemaal zo… echt. De muziek, de vleugel. Jij.”
Louise keek op. In het licht van de lantaarns zag ze dat zijn gebruikelijke zelfverzekerdheid verdwenen was. Hij stond daar als iemand die niet meer wist hoe hij zich moest verschuilen.
“En nu?” vroeg ze zacht.
“Nu wil ik het proberen. Het concert. Maar alleen…” Hij aarzelde. “Alleen als jij me helpt de Bechstein zijn stem terug te geven.”
Een sneeuwvlok landde op Louises wang. Ze veegde hem weg, zich afvragend of het een traan was.
“Louise?” Tims stem klonk nu bijna smekend. “Alsjeblieft?”
Voor ze kon antwoorden, trok Lobbes hard aan zijn riem. Hij had genoeg van het stilstaan en wilde naar het pleintje, naar de gezelligheid en de geur van warme chocolademelk.
“Lobbes!” riep Louise verschrikt, maar het was al te laat. De riem glipte uit haar hand en de labrador sprong vrolijk tegen Tim op, precies zoals die eerste keer.
En net als toen lachte Tim alleen maar, terwijl zijn dure jas opnieuw onder de modderpoten kwam.
“Dat doet hij anders nooit,” zei Tim zacht.
Louise moest ondanks zichzelf glimlachen. “Dat zeggen alle hondenbezitters.”
De dagen voor kerst vulde het oude kerkgebouw zich met het geluid van rollende ladders en geschuif met stoelen. Vrijwilligers hingen kerstverlichting op in de hoge gewelven, wat een magisch effect gaf als het licht door de glas-in-loodramen viel.
Louise was bezig de laatste aanpassingen aan de Bechstein te maken toen ze voetstappen hoorde. Het waren niet de vertrouwde voetstappen van Tim, die de afgelopen dagen urenlang had geoefend.
“Waarom kijk je zo sip?” Het was Amy, die een doos met kerstballen droeg. “Als ik jou was, zou ik de hele dag glimlachen.”
Louise keek op van haar werk. “Oh? Waarom dan?”
“Nou,” Amy zette de doos neer en pakte er voorzichtig een glazen ster uit, “Tim kijkt naar jou zoals papa naar mama kijkt als ze niet oplet.”
Louise voelde haar wangen warm worden. “Amy!”
“Wat? Het is waar. En jij kijkt net zo naar hem als hij piano speelt.” Het meisje hing de ster aan een tak van de grote kerstboom die naast de vleugel was neergezet. “Waarom zeg je het hem niet gewoon?”
“Het is… ingewikkeld.”
“Dat zeggen grote mensen altijd.” Amy rolde met haar ogen. “Maar volgens oma is liefde heel simpel. Je voelt het of je voelt het niet.”
Voor Louise kon antwoorden, klonk er gestommel bij de deur. Tim kwam binnen met een stapel muziekstandaards, gevolgd door mevrouw Doorman die bladmuziek vasthield.
“Kijk eens wat ik gevonden heb in het archief,” zei de directrice. “Nog meer van Van Heemstra’s papieren. Er zitten wat losse aantekeningen tussen over de instrumentatie.”
Louise en Tim bogen zich beiden over de papieren. Hun hoofden raakten elkaar bijna. Amy giechelde, maar deed alsof ze heel druk bezig was met het ophangen van kerstballen.
“Dit is interessant,” mompelde Tim. Zijn vinger gleed over een notitie. “Kijk, hier schrijft hij over resonanties tussen de vleugels. Het lijkt wel…”
Een oorverdovend gekraak onderbrak hem. Een van de oude kroonluchters was losgekomen en bungelde gevaarlijk aan één kabel.
“Niemand bewegen!” riep mevrouw Doorman. “Ik haal de klusjesman.”
In de plotselinge stilte die volgde, hoorden ze het zachte getik van vallend stof. De kroonluchter schommelde dreigend.
“De Bechstein,” fluisterde Louise geschrokken. Als die lamp naar beneden kwam…
Voor ze het wist had Tim haar hand gepakt. “Help me,” zei hij, en samen renden ze naar de vleugel. Louise greep een kant van de klep, Tim de andere. Voorzichtig duwden ze het instrument naar een veiliger plek.
Toen de vleugel in veiligheid was, merkten ze pas dat ze nog steeds elkaars hand vasthielden.
“Zie je wel?” zei Amy triomfantelijk vanaf haar veilige plek bij de kerstboom. “Helemaal niet ingewikkeld.”
Louise liet snel Tims hand los, maar ze moest glimlachen. Uit de gang klonken stemmen; mevrouw Doorman kwam terug met hulp.
“Misschien,” zei Tim zacht, alleen voor Louises oren, “heeft ze wel gelijk.”
Louise keek op en ving zijn blik. In het warme licht van de kerstverlichting zagen zijn ogen er anders uit dan eerst – zachter, kwetsbaarder.
De klusjesman kwam binnen en begon direct de kroonluchter te inspecteren. “Geen zorgen,” riep hij naar beneden. “Een simpele reparatie.”
“Net als liefde,” mompelde Amy, die nog steeds kerstballen ophing. “Gewoon een kwestie van goed vastmaken.”
Deze keer moesten ze allemaal lachen. Buiten begon het opnieuw te sneeuwen, kleine vlokjes die langs de glas-in-loodramen dwarrelden en het licht van de kerstverlichting weerkaatsten in duizend verschillende kleuren.
Het was al laat in de avond toen Louise de laatste kerstversiering rechtzette. De meeste vrijwilligers waren naar huis, maar ergens in het gebouw hoorde ze Tim nog steeds spelen. Dezelfde passage, steeds opnieuw, alsof hij naar iets zocht dat hij niet kon vinden.
Ze volgde het geluid naar een van de kleinere oefenruimtes. De deur stond op een kier en ze zag Tim in het licht van een enkele lamp achter een oude piano zitten, zijn gezicht gespannen van concentratie. Voor hem lagen Van Heemstra’s papieren uitgespreid.
De muziek stopte abrupt. “Het klopt gewoon niet,” mompelde hij.
“Wat klopt er niet?” vroeg Louise zacht.
Tim schrok niet van haar stem; misschien had hij haar al horen aankomen. “Deze harmonieën. Ze zijn prachtig, maar… incompleet. Het is alsof je een gesprek hoort waarbij steeds één stem wegvalt.”
Louise kwam dichterbij en keek naar de bladmuziek. “Laat me nog eens kijken naar de aantekening van mijn moeder.” Ze pakte het vergeelde papier dat los tussen de andere vellen zat. “‘De tweede piano-partij moet lichter,’ ” las ze opnieuw, “‘meer als een tegenstem.’ “
“Wacht.” Tim ging rechtop zitten. “Tweede piano-partij?”
“Ja, dat staat hier…” Louises stem stierf weg toen het besef tot haar doordrong. “Tim… dit is geen solo. Het is een duet.”
“Natuurlijk!” Hij sprong op, een bijna jongensachtig enthousiasme in zijn stem. “Dat verklaart alles. Die open plekken in de harmonie, die onafgemaakte frases…” Hij bladerde koortsachtig door de papieren. “We hebben de hele tijd maar de helft van de muziek gezien.”
“Maar waar is dan de andere helft?”
Tim bleef even stil. Toen pakte hij haar hand. “Kom mee.”
Hij trok haar mee naar de grote zaal waar de Bechstein stond. In het donker waren alleen de kerstlichtjes aan, die een zachte gloed over de vleugel wierpen. Tim liet haar hand los en liep naar het instrument.
“Kijk,” zei hij, wijzend naar de compositie. “Van Heemstra… Wacht! Staat er nog een andere Bechstein in het gebouw?”
“In de kleine zaal!” Louise knikte opgewonden. “Die is jaren geleden weggehaald, nu staat er een andere vleugel, maar in de tijd van Van Heemstra waren er twee Bechsteins.” Ze dacht aan de foto die ze in het archief hadden gevonden. “Daarom staat mijn moeder naast hem op die foto. Zij was niet alleen zijn stemmer…”
“Ze was zijn duetpartner,” maakte Tim haar zin af. Hij keek haar aan, zijn ogen glanzend in het gedempte licht. “Louise… zou jij…”
“Nee.” Ze schudde haar hoofd. “Ik ben geen pianiste. Niet zoals mijn moeder.”
“Maar je kent de Bechstein beter dan wie ook. Je kent zijn stem.” Tims stem klonk zacht maar dringend. “En je hebt Van Heemstra’s muziek in je bloed. Door je moeder.”
Louise staarde naar de vleugel. Het grote instrument leek te wachten in de stilte.
“We kunnen die tweede piano uit de kleine zaal hiernaartoe laten brengen,” vervolgde Tim. “Voor het concert. Twee vleugels, zoals Van Heemstra het bedoeld had. Misschien geen tweede Bechstein, maar toch…”
“Maar…”
“Probeer het.” Tim ging achter de Bechstein zitten en gebaarde naar de ruimte naast hem. “Kom hier. Laat me je laten horen wat ik bedoel.”
Aarzelend ging Louise naast hem zitten. De pianokruk was net breed genoeg voor hen beiden.
Tim begon te spelen, zacht eerst. De melodie die Louise al kende, maar nu hoorde ze wat hij bedoelde. Er waren plekken waar de muziek om een antwoord vroeg.
“Hier,” fluisterde hij. “Voel je het? De muziek heeft een tegenstem nodig.”
Voorzichtig raakte Louise de toetsen aan. Een simpele harmonie eerst, volgend waar Tim haar leidde. Maar toen gebeurde er iets. De melodieën vonden elkaar, vloeiden in elkaar over. Het was niet perfect – haar techniek was niet te vergelijken met die van Tim – maar er was iets in de muziek dat klopte.
Ze speelden de laatste maten van het fragment en het laatste akkoord bleef hangen in de ruimte. In de stilte die volgde, hoorden ze beiden hun ademhaling.
“Zie je wel,” zei Tim zacht. Zijn stem klonk hees. “Het was altijd al een duet.”
Louise draaide haar hoofd om hem aan te kijken en besefte toen pas hoe dicht ze bij elkaar zaten. In het kaarslicht van de kerstversiering zag ze kleine gouden spikkels in zijn bruine ogen.
Een van de kerstlampjes knipperde even, als een ster die knipoogde.
“Doe je het?” vroeg Tim. “Speel je het met me? Op kerstavond?”
Louise keek naar hun handen die nog steeds op de toetsen rustten, zijn slanke pianistenvingers naast haar meer praktische handen van een stemmer. Zo verschillend, en toch…
“Ja,” zei ze. “Ik doe het.”
En ze wisten beiden dat ze het niet alleen over de muziek had.
De wind rukte aan de glas-in-loodramen toen Louise die avond de muziekschool binnenkwam. Ze had nog wat laatste aanpassingen aan de Bechstein willen maken voor de generale repetitie morgen, maar het weer was snel verslechterd. Een najaarsstorm, had ze op het nieuws gehoord, met windstoten tot honderd kilometer per uur.
De kerstverlichting in de gangen flikkerde onheilspellend. Louise hoorde een vreemd geluid van boven, als vallende druppels. Toen ze de deur van de muziekzaal opendeed, zag ze Tim met emmers in de weer.
“Het oude dak,” zei hij grimmig. Hij wees naar het plafond waar donkere vochtkringen zich vormden. “De goten kunnen het water niet aan.”
Een windvlaag deed het gebouw kraken. Door de ramen zagen ze de kale takken van de oude lindeboom wild heen en weer zwiepen.
“We moeten de Bechstein beschermen.” Louise liep naar de vleugel. “Help me de klep dicht te doen.”
Samen sloten ze het instrument af. Een nieuwe druppel viel, nu gevaarlijk dicht bij de vleugel. Tim schoof snel een emmer onder het lek.
“Wat een timing,” mompelde hij. “Net nu alles eindelijk…”
Een oorverdovende klap onderbrak hem. Louise gilde toen een tak door een van de glas-in-loodramen kwam. Glasscherven vielen naar binnen, samen met een stroom koud regenwater.
“Daar!” riep Tim. Hij rende naar een stapel dekzeilen die was klaargelegd voor de schilders die volgende week zouden komen. “Help me!”
Louise griste een zeil uit zijn handen en samen probeerden ze het gebroken raam af te dekken. De wind gierde door het gat, maakte het bijna onmogelijk het zeil op zijn plaats te houden.
“Vast!” schreeuwde Tim boven het lawaai uit. Hij klemde het zeil met zijn schouder tegen de muur terwijl Louise het vastbond aan een verwarmingsbuis.
“De vleugel!” Louise draaide zich om en zag tot haar opluchting dat het water niet bij het instrument was gekomen. Maar er vormden zich nieuwe lekkages. “We hebben meer emmers nodig.”
“In de kelder,” zei Tim. “Ik ga wel.”
“Nee, ik ken de weg beter. Blijf jij hier om nieuwe lekken in de gaten te houden.”
Louise rende de gang op, op zoek naar de kelderdeur. Het was donker – de storm moest een stroomkabel hebben geraakt. Alleen het regelmatige flitsen van de kerstverlichting gaf nog wat licht.
Toen ze terugkwam met een stapel emmers, zag ze Tim gebogen over de Bechstein staan. Hij veegde zorgvuldig wat waterdruppels van het hout.
“Als er maar geen water in het mechaniek komt,” zei hij bezorgd.
“Dat laat ik niet gebeuren.” Louise zette de emmers neer. “Deze vleugel heeft ergere stormen doorstaan.”
Tim keek op en glimlachte even. “Net als wij?”
Voor ze kon antwoorden, klonk er een nieuwe windvlaag. Ze werkten zwijgend door, plaatsten emmers, controleerden het zeil, veegden water weg. De storm leek eindeloos te duren.
Het was ver na middernacht toen de wind eindelijk ging liggen. Ze zaten uitgeput op de grond, hun ruggen tegen de muur, omringd door emmers die zachte druppelgeluiden maakten.
“Wat een puinhoop.” Louise keek naar de kerstversiering die half van de muren hing.
“We redden het wel,” zei Tim. “De vleugel is veilig, dat is het belangrijkste.” Hij draaide zijn hoofd naar haar toe. “Dank je.”
“Waarvoor?”
“Dat je bleef.” Hij aarzelde. “Niet alleen vanavond.”
Louise voelde zijn hand de hare zoeken in het halfdonker. Ze liet hem begaan.
Buiten begon het te sneeuwen. Grote, zachte vlokken die de laatste sporen van de storm bedekten. De kapotte ruit was nu een abstract kunstwerk van sneeuw, ijs en gekleurd glas waar het eerste ochtendlicht doorheen begon te schijnen.
“Kijk,” fluisterde Tim. “Het wordt toch nog mooi.”
Louise kneep zacht in zijn hand. Ja, dacht ze. Dat wordt het.
Het oude kerkgebouw had nog nooit zo veel mensen getrokken. De rijen stoelen waren tot de laatste plaats bezet, en langs de muren stonden zelfs nog mensen. Onder de hoge gewelven, waar kaarsen en oude kroonluchters voor een warme gloed zorgden, gonsde het van de verwachtingen.
“Is het waar dat Van Beresteyn een jaar niet heeft opgetreden?” fluisterde een vrouw tegen haar buurman.
“Ja, na dat concert in het Concertgebouw…” De man schudde zijn hoofd. “Niemand weet precies wat er gebeurde.”
Even verderop wees een meisje opgewonden naar het podium. “Kijk mama, twee vleugels!”
Mevrouw De Vries, die op de eerste rij zat tussen andere vaste klanten van Louises winkel, glimlachte bij het horen van al die fluisterende stemmen. Als ze haar ogen sloot, zag ze nog het kleine meisje dat Louise ooit was, luisterend naar haar moeder die de Bechstein stemde.
Buiten viel een zachte motregen, maar binnen zorgden kaarsen en oude kroonluchters voor een warme gloed. De glas-in-loodramen waren provisorisch gerepareerd na de storm; gekleurde glasscherven waren met koperfolie aan elkaar gezet, wat een verrassend mooi effect gaf in het kaarslicht.
Amy, die naast haar grootmoeder zat in een nieuwe jurk waar haar rode haar prachtig bij paste, wiebelde ongeduldig op haar stoel. “Wanneer beginnen ze nou?”
“Geduld, lieverd,” suste mevrouw De Vries, maar ze begreep het ongeduld van haar kleindochter. De spanning in de zaal was bijna tastbaar.
Backstage probeerde Louise haar trillende handen tot rust te brengen. Door een kier in het zware fluwelen gordijn zag ze de bomvolle zaal. Vanavond zouden al die mensen niet alleen komen luisteren naar Tim van Beresteyn, de beroemde pianist die na een jaar stilte terugkeerde op het podium. Ze zouden ook haar horen spelen.
“Zenuwachtig?”
Ze draaide zich om. Tim stond achter haar, perfect in zijn rokkostuum. Zijn das zat een klein beetje scheef.
“Een beetje,” bekende ze. Ze stapte naar hem toe en rechtte zijn das. “Jij niet dan?”
“Doodsbang.” Hij glimlachte. “Maar dat is goed. Het betekent dat het ons iets kan schelen.”
Louise knikte. Ze dacht aan de Bechstein die op het podium stond te wachten, aan al die uren die ze had besteed aan het perfect stemmen van beide vleugels. Ze dacht aan haar moeder, aan Van Heemstra, aan hun onvoltooide droom die vanavond eindelijk werkelijkheid zou worden.
“Wat als ik een fout maak?” fluisterde ze.
“Dan maken we er samen iets moois van.” Tims hand vond de hare. “Dat is wat een duet is, toch? Elkaar aanvullen?”
Mevrouw Doorman kwam aangelopen, een brede glimlach op haar gezicht. “Ze wachten op jullie.”
Louise kneep nog één keer in Tims hand voordat ze hem losliet. Samen liepen ze naar het podium. Het doek ging opzij en applaus vulde de ruimte.
Terwijl ze naar de vleugels liepen, ving Louise een glimp op van Amy die opgewonden naar haar zwaaide. Mevrouw De Vries glimlachte bemoedigend. En was dat Lobbes die ze zag, rustig liggend aan de voeten van een van de vrijwilligers?
Ze ging zitten achter haar vleugel – niet de Bechstein, die was voor Tim. Zij zou spelen op het tweede instrument dat ze samen hadden gestemd. Twee vleugels, twee stemmen in perfecte harmonie.
Tim keek haar aan en knikte bijna onmerkbaar. Louise ademde diep in.
Het was tijd om Van Heemstra’s laatste compositie tot leven te brengen.
De eerste noten van Tim klonken aarzelend, bijna tastend, als een vraag die in de ruimte bleef hangen. Louise voelde haar hart overslaan – dit was niet hoe ze het hadden geoefend. Hij speelde langzamer, kwetsbaarder.
Toen begreep ze het. Dit was geen concert van Tim van Beresteyn, de virtuoos. Dit was Tim die de muziek opnieuw ontdekte, net zoals hij zijn liefde voor het piano spelen hier in Muzenburg had teruggevonden.
Haar deel kwam dichterbij. Ze ademde diep in en liet haar vingers op de toetsen neerdalen. De tweede stem mengde zich met de eerste, niet prominent, maar als een echo, precies zoals haar moeder het in die oude aantekening had beschreven.
De melodieën verweven zich, vonden elkaar, scheidden weer. Het was als een dans waarbij de partners elkaar eerst voorzichtig aftastten, toen steeds vrijer bewogen. Louise voelde hoe de muziek haar meevoerde. Dit was niet langer het spel van een pianostemmer die wat kon spelen; dit was de stem van de Bechstein zelf, van alle jaren waarin het instrument had gewacht om deze muziek te laten klinken.
In de zaal was het doodstil. Zelfs Amy zat roerloos. Mevrouw De Vries veegde onopvallend een traan weg – zij herkende in Louises spel iets van haar oude vriendin, van de gepassioneerde pianostemmer die meer had gewild dan alleen instrumenten stemmen.
De muziek zwol aan. Tims virtuoze passages werden beantwoord door Louises eenvoudiger maar zuivere spel, als een gesprek waarbij elk woord precies op zijn plaats viel. Door de glas-in-loodramen, gerepareerd na de storm, viel het laatste daglicht naar binnen en wierp regenboogkleuren over de vleugels.
Ergens in de compositie zat een passage die Louise deed denken aan het tikken van regendruppels in een emmer. Tim keek even opzij en glimlachte – hij dacht aan diezelfde nacht. Zijn tempo vertraagde subtiel om haar tegenstem ruimte te geven.
Het slot naderde. Van Heemstra had een groots einde geschreven, maar Tim speelde het ingetogen, bijna verstild. Louise volgde zijn leiding, haar noten vloeiend met de zijne samen tot één stem. De laatste akkoorden bleven hangen in de ruimte, als sneeuwvlokken die langzaam neerdalen.
De stilte die volgde leek eeuwig te duren. Louise durfde niet op te kijken. Toen hoorde ze één persoon beginnen te klappen. Amy. Het applaus zwol aan tot een staande ovatie die door het oude gebouw galmde.
Tim stond op en liep naar haar toe. Hij stak zijn hand uit om haar overeind te helpen, maar trok haar toen in een stevige omhelzing.
“Dank je,” fluisterde hij in haar oor.
Louise wilde iets terugzeggen, maar er zat een brok in haar keel. Het was gelukt. Ze hadden Van Heemstra’s droom werkelijkheid gemaakt. En onderweg hadden ze hun eigen droom gevonden.
Het applaus wilde maar niet ophouden. In het zachte licht van de kaarsen en kroonluchters zag Louise tranen over Tims wangen lopen. Ze waren niet van verdriet.
De straten van Muzenburg glansden in het licht van de kerstversiering. De motregen van eerder op de avond was overgegaan in een zachte sneeuwval die de kasseien bedekte met een dun wit tapijt. Louise en Tim liepen zwijgend naast elkaar, nog steeds vervuld van de muziek die ze hadden gespeeld.
Bij de bocht in de gracht, waar oude herenhuizen zich spiegelden in het donkere water, bleef Tim staan. Precies op de plek waar ze een paar dagen geleden hadden gepraat. Kerststerren in de ramen wierpen een warm licht over de verse sneeuw.
“Mevrouw Doorman vertelde me net dat de opbrengst boven verwachting is,” zei hij zacht. “Het gebouw kan worden gerestaureerd. De muziekschool blijft waar ze hoort.”
Louise glimlachte. “En de Bechstein?”
“Die blijft ook waar hij hoort.” Tim draaide zich naar haar toe. “Net als ik.”
Louises hart sloeg een slag over. “Wat bedoel je?”
“Ik heb besloten in Muzenburg te blijven. De directrice heeft me gevraagd les te komen geven op de muziekschool.” Hij glimlachte. “Mijn appartement in Amsterdam heb ik al opgezegd. Ik heb hier mijn thuis gevonden.”
“Bij de muziekschool?” plaagde Louise zacht.
“Bij mijn duetpartner.” Hij tastte in zijn jaszak. “En daarom heb ik iets voor je.”
Hij haalde een klein doosje tevoorschijn. Louise herkende direct het logo van Juwelier Verlinden op het deksel. Haar handen trilden licht toen ze het openmaakte.
In het doosje lag een fijne zilveren ketting. Aan de ketting hing een delicaat hangertje in de vorm van een kerstster, waarin een vioolsleutel was verweven. Het zilver glansde in het licht van de straatlantaarns.
“Tim…” fluisterde ze. “Het is prachtig. Maar hoe…?”
“Ik heb het laten maken,” zei hij zacht. “Speciaal voor jou.”
“Wil je…” Ze draaide zich om, tilde haar haar op. “Wil je hem omdoen?”
Tims vingers waren warm in haar nek terwijl hij de ketting vastmaakte. Toen hij klaar was, draaide ze zich weer naar hem toe.
“Ik heb ook iets voor jou,” zei ze. Ze haalde een sleutel uit haar tas. “Een échte sleutel. Van de winkel.” Ze legde de sleutel in zijn hand. “Omdat ik wil dat mijn pianist altijd toegang heeft. Net zoals…” Ze bloosde even. “Net zoals je toegang hebt tot mijn hart.”
“Louise…” Hij wilde nog meer zeggen, maar ze legde haar vinger tegen zijn lippen.
“Sst,” fluisterde ze. “Soms hoef je niet alles in woorden te zeggen.”
Ze kuste hem. Zijn armen gleden om haar heen en hielden haar vast alsof hij haar nooit meer wilde laten gaan. De sneeuw dwarrelde om hen heen, maar ze merkten het niet.
Ergens in de verte begon het carillon van de Grote Kerk de eerste noten van een kerstlied te spelen. Het klonk als een zegen.
Ze liepen samen naar de muziekwinkel, haar hand warm in de zijne. Voor het raam brandde nog steeds de kleine kerstboom die Amy had versierd. En daar, op de toonbank, stond de foto van Louises moeder met Van Heemstra, glimlachend bij de Bechstein.
Twee pianisten, twee vleugels, twee zielen die elkaar hadden gevonden in de muziek. Soms, bedacht Louise terwijl Tim de sleutel in het slot stak, waren de mooiste dromen niet die je achterliet, maar die je samen waar maakte.
Epiloog – Een jaar later
Het gerenoveerde kerkgebouw straalde in het winterzonlicht. De glas-in-loodramen waren volledig gerestaureerd, en waar ooit emmers de lekkages opvingen, weerkaatste nu alleen nog het geluid van muziek door de gangen.
Louise stemde de Bechstein voor het nieuwe kerstconcert terwijl Tim in het lokaal ernaast les gaf. Ze glimlachte toen ze Amy’s stem hoorde – het meisje had besloten ook pianoles te nemen, al bleef de viool haar grootste liefde. Door het raam zag ze Lobbes liggen op zijn vaste plek in de zon, zijn staart zacht kloppend op de vloer bij elk akkoord dat Tim speelde.
Haar hand ging even naar de ketting om haar hals. De zilveren vioolsleutel glansde in het zonlicht dat door de ramen viel. Het was een gewoonte geworden om het hangertje aan te raken als ze aan Tim dacht, wat betekende dat ze het ongeveer honderd keer per dag deed.
De compositie van Van Heemstra had een vaste plek gekregen in het kerstrepertoire van Muzenburg. Maar het was meer dan dat – het was een symbool geworden van hoe muziek mensen bij elkaar kon brengen. Net zoals de muziekschool meer was geworden dan alleen een plek voor lessen. Het was een thuis, voor hen allemaal.
De laatste toon van Tims les klonk door de gang, gevolgd door het geluid van voetstappen. Even later verscheen hij in de deuropening.
“Klaar voor vanmiddag?” vroeg hij.
Louise knikte. Ze hadden besloten het kerstconcert tot een jaarlijkse traditie te maken. Een manier om het oude en het nieuwe te verbinden, net zoals zij tweeën dat deden.
Tim kwam naast haar staan en drukte een kus op haar haar. “Weet je nog? Vorig jaar om deze tijd was ik doodsbang om weer op te treden.”
“En nu?”
“Nu ben ik alleen nog bang dat ik vals speel en jij me nooit meer wilt stemmen.” Hij grijnsde toen ze hem een por gaf.
De deur vloog open en Amy stormde binnen, haar rode haar dansend. “Louise! Tim! Kijk!”
Ze hield een artikel uit de krant omhoog. ‘Muzenburg viert terugkeer muziekleven in gerestaureerd monument’, las de kop. En daaronder een foto van Tim en Louise achter de twee vleugels.
“Zie je wel,” zei Amy triomfantelijk. “Het is helemaal niet ingewikkeld.”
Tim en Louise keken elkaar aan en lachten. Het meisje had gelijk gehad, dat was het nooit geweest. Soms moest je gewoon de juiste toon vinden, en dan volgde de rest vanzelf.
Buiten begon het te sneeuwen, grote zachte vlokken die neerdwarrelden als muzieknoten op een leeg blad. Een nieuwe compositie die wachtte om geschreven te worden.
Samen.
