Ga naar de inhoud

Kleine Hans

Een sprookje

Kleine Hans geeft een brood aan de weduwe van Dikke Jan


Vroeger, als de boer met een wagen vol zakken tarwe door ons dorp reed, kon je hem horen mopperen: “Ik heb helemaal geen tijd om die zakken zelf naar de molen te brengen, want ik moet nog zoveel tarwe oogsten.”
En met een lang gezicht reed hij verder, langs het huis van de dominee, waar de domineesvrouw luid tegen haar man zei: “Er zijn zoveel armen in jouw parochie; had ik maar tarwe om te malen en brood voor ze te bakken.”
Misschien sprak ze zo luid, omdat ze hoopte dat de boer het zou horen.
Hij hoorde haar ook wel, maar hij schudde zijn hoofd en reed door. “Ik verkoop al mijn tarwe aan de molenaar. Ze denkt toch niet dat er iets voor haar overblijft?”

De hele nacht was de molenaar bezig met malen.
De volgende dag stapelde hij zijn kar vol zakken meel, maar je kon hem horen klagen: “Ik ben nog lang niet klaar met het malen van alle tarwe. Wie zegt dat ik ook nog tijd heb om naar de bakkerij te gaan?”
Natuurlijk ging hij toch en even later reed hij langs het huis van de onderwijzer. Hij hoorde de vrouw van de onderwijzer tegen haar man zeggen: “Met een beetje meel kon ik deeg maken en brood bakken voor de arme kinderen in jouw klas.”
De molenaar lachte schamper in zichzelf. “Wat denkt ze wel? Gratis meel? Al dit meel verkoop ik aan de bakker.”

Na een lange nacht doorwerken in de bakkerij, laadde de bakker de broden op zijn wagen.
“Ik ben veel te moe om ook nog eens zelf met dit brood naar de markt te gaan,” mokte hij.
Maar hij wist ook wel dat versgebakken broden veel beter verkopen, dus ging hij op pad.
Onderweg kwam hij langs het huis van Dikke Jan, die het jaar daarvoor was overleden; diens weduwe riep juist tegen haar kinderen: “Stop toch eens met zeuren! Ik heb geen geld om naar de markt te gaan en brood te kopen. Jullie zullen de bieten moeten eten die in onze kleine tuin groeien.”
De bakker schudde mistroostig zijn hoofd en als je goed luisterde kon je hem horen mompelen: “Al deze broden verkoop ik op de markt. De weduwe kan toch hulp vragen bij de kerk?”

Op een dag kwam kleine Hans in ons dorp wonen. Hij was een klein mannetje met heldere blauwe ogen in een grappig rond gezicht, een geruite pet op zijn hoofd, een witte pijp in zijn mond en gele klompen aan zijn voeten. Hij ging wonen in het huisje dat op de hoek stond bij de kruising van de wegen naar de molen en naar de markt.

Nadat hij zijn huisje had ingericht, stopte kleine Hans zijn pijp en hij ging in zijn tuin zitten. Het duurde niet lang of hij zag de boer langsrijden met een wagen vol zakken tarwe. De boer had een gezicht als een oorworm en kleine Hans begreep direct waarom.

“Boer,” riep hij, “laat mij dat voor je naar de molen brengen, dan heb jij tijd om meer tarwe te oogsten.”
Dat liet de boer zich geen twee keer zeggen. “Dat is erg aardig van je, kleine Hans. Kijk eens, hier is de wagen. Er liggen twintig zakken op. De molenaar zal je twintig dukaten geven. Kom dat geld vanavond maar brengen.”

Kleine Hans ging op weg en al snel kwam hij langs het huis van de dominee, waar hij de domineesvrouw tegen haar man hoorde zeggen: “Ik heb geen tarwe en kan dus ook geen brood bakken voor de armen in de parochie.”
Kleine Hans bracht de wagen tot stilstand, nam er een zak af en riep de domineesvrouw. “Hier, neem deze zak tarwe en bak brood voor de armen.”

Hij reed verder naar de molen en gaf de overige negentien zakken aan de molenaar.

’s Avonds ging kleine Hans naar de boer en gaf hem zijn wagen terug. En twintig dukaten.

De volgende dag reed de molenaar met zijn kar langs het huisje van kleine Hans, die hem in zichzelf hoorde mopperen.
“Molenaar,” riep kleine Hans. “Ik breng dat meel wel naar de bakkerij. Ga jij maar terug naar je molen om verder te malen.”
Zonder aarzelen gaf de molenaar zijn kar aan kleine Hans en zei: “Wat een vriendelijk gebaar, kleine Hans. Op de kar liggen negentien zakken meel waar de bakker je negentien dukaten voor zal geven. Geef ze maar aan me als je de kar komt terugbrengen vanavond.”

Op weg naar de bakkerij kwam kleine Hans langs het huis van de onderwijzer en hij hoorde diens vrouw klagen dat ze geen brood kon bakken voor de arme kinderen in de klas.
Kleine Hans hield stil, pakte een zak meel, liep naar de vrouw van de onderwijzer en zei: “Alsjeblieft. Nu kun je brood bakken voor de kinderen.”

Daarna reed hij naar de bakkerij en gaf de achttien zakken die waren overgebleven aan de bakker.

’s Avonds bracht kleine Hans de kar naar de molenaar en betaalde hem negentien dukaten.

Toen de bakker de volgende dag met een chagrijnig gezicht langsreed, kwam kleine Hans uit zijn huisje tevoorschijn en zei: “Zal ik dat brood naar de markt brengen? Ik weet immers dat je nog veel brood moet bakken.”
De bakker keek kleine Hans aan en een glimlach verscheen op zijn gezicht. “Graag, kleine Hans. Op de kar liggen achttien broden, die je op de markt voor achttien dukaten zult kunnen verkopen. Denk je dat je die vanavond nog aan me kunt geven?”
Kleine Hans knikte en zette de kar in beweging.

Hij had nog slechts een klein stukje gereden, toen hij langs het huis van de weduwe van Dikke Jan kwam en haar kinderen hoorde huilen.
“Stil nu toch,” klonk de vertwijfelde stem van de weduwe, “ik weet dat jullie honger hebben, maar er is geen geld om brood te kopen. Eet toch jullie bieten op. Kijk, jullie jongste broertje vindt ze wel lekker.”
Kleine Hans bleef staan, nam een brood van de kar, klopte op de deur van het huisje en zei tegen de weduwe: “Hier is brood. Nu hebben je kinderen te eten.”

Hij reed verder naar de markt en verkocht de resterende zeventien broden.

’s Avonds kreeg de bakker achttien dukaten van kleine Hans.

Zo ging er enige tijd voorbij.
Kleine Hans hielp de boer en bracht de tarwe naar de molen. En telkens als hij langs het huis van de dominee kwam, gaf hij een zak tarwe aan de domineesvrouw.
Hij bracht het meel voor de molenaar naar de bakker. En steevast gaf hij een zak meel aan de vrouw van de onderwijzer.
Hij verkocht de broden van de bakker op de markt. En altijd kreeg de weduwe van Dikke Jan een brood van hem.
En iedere keer gaf hij aan de boer en de molenaar en de bakker het aantal dukaten dat zij hadden genoemd.

Op een dag stond de boer weer met een kar vol zakken tarwe te wachten, maar kleine Hans verscheen niet.
“Dat heb ik altijd wel gedacht,” zei de boer in zichzelf. “Kleine Hans heeft er al snel genoeg van mij te helpen.”
Hij reed met de kar naar de molen en toen hij langs het huisje van kleine Hans kwam riep hij luid: “Er is niemand om mij te helpen, dus ga ik zelf wel naar de molen.”
Kleine Hans kwam echter niet tevoorschijn en de boer hield niet stil om hem te zoeken.

Bij het huis van de dominee zag de boer de domineesvrouw glimlachend langs de kant van de weg staan.
“Dag boer,” zei ze, “is kleine Hans er niet? Hij gaf me altijd een zak tarwe om brood te bakken voor de armen in de parochie.”
Even keek de boer haar verbaasd aan.
“Nee,” antwoordde hij, “kleine Hans is er vandaag niet en als je brood wilt, ga dan naar de markt.”

In gedachten verzonken reed hij verder. “Vreemd, kleine Hans gaf haar een zak tarwe, maar mij gaf hij altijd het juiste aantal dukaten.”

Hetzelfde overkwam de molenaar.
Hij stond de volgende dag voor de molen met een kar vol met zakken meel, maar kleine Hans kwam niet opdagen. Dus reed de molenaar zelf naar de bakkerij.
Bij het huisje van kleine Hans keek hij nog even over het hek in de tuin, maar kleine Hans zag hij niet.
Wel zag hij even verderop de vrouw van de onderwijzer voor haar huis staan.
“Dag molenaar,” zei ze, “waar is kleine Hans? Ik kreeg van hem altijd een zak meel, zodat ik brood kon bakken voor de arme kinderen in de klas.”
Verwonderd keek de molenaar haar aan.
“Nee,” antwoordde hij, “kleine Hans heb ik vandaag niet gezien en voor brood moet je naar de markt.”

Hij reed verder en dacht: “Hoe kan het dat kleine Hans mij altijd het juiste aantal dukaten gaf, als hij niet alle meel aan de bakker verkocht?”

En het verging de bakker al net zo. Ook hij zag kleine Hans nergens toen hij met zijn kar vol broden naar de markt reed. En hij hoorde van de weduwe van Dikke Jan dat Hans haar altijd een brood gaf.
“Ga naar de markt als je brood wilt,” bromde hij, maar ondertussen dacht hij: “Wat raar, ik kreeg altijd het juiste aantal dukaten.”

In de dagen daarna werd kleine Hans niet gezien. Niemand ging hem echter zoeken, tot de jongste zoon van Dikke Jan tegen zijn moeder zei: “Mama, waar is kleine Hans toch? Zou hij soms ziek zijn? Moeten we hem dan niet opzoeken? Dan kan ik hem een hapje van mijn biet geven.”
Zijn moeder moest lachen. “Malle jongen, wie wil er nu een hapje van jouw biet hebben?”

Toch liep ze de volgende dag naar het huisje van kleine Hans.
Ze klopte aan en hoorde zwak roepen: “Binnen!”
Ze deed de deur open en zag kleine Hans op bed liggen.
“Hans, wat is er met je aan de hand?” vroeg ze verontrust.
“Ik ben ziek geworden,” antwoordde kleine Hans. “En ik heb geen geld om een dokter te betalen, want ik heb al mijn dukaten gegeven aan de boer en de molenaar en de bakker, zodat ze niet zouden merken dat ik zakken tarwe gaf aan de domineesvrouw en zakken meel aan de vrouw van de onderwijzer en broden aan jou.”

De tranen sprongen in de ogen van de weduwe en ze liep het dorp in en riep dat iedereen naar het huisje van kleine Hans moest komen.

De mensen schrokken toen ze zagen hoe ziek kleine Hans was, want ze hadden de dokter gevraagd hem te onderzoeken en hij had met een mistroostig gezicht gezegd dat kleine Hans niet meer zou genezen.

Maar kleine Hans riep de boer, de molenaar en de bakker aan zijn ziekbed en zei: “Kijk om jullie heen en doe zoals ik deed: geef van wat je hebt aan de armen.”
En zij kregen tranen in hun ogen en zeiden: “Wat zijn wij egoïstisch geweest. Kleine Hans, kun je ons vergeven?”
Kleine Hans knikte en zei: “Jullie moeten elkaar helpen, vergeet dat niet.”
En hij zakte achterover in zijn kussen en blies de laatste adem uit.

De mensen van het dorp begroeven kleine Hans naast de kerk en bij zijn graf beloofden ze elkaar voortaan te helpen, zoals hij het hun had geleerd.

De winter was streng, maar niemand leed honger, want de boer, de molenaar en de bakker hielden woord. De domineesvrouw kreeg volop tarwe, de vrouw van de onderwijzer meel en de weduwe van Dikke Jan meer dan voldoende brood voor haar kinderen.

In de lente kwamen de mensen bij elkaar en zij zagen dat iedereen goed gevoed was.

Ze liepen naar het graf van kleine Hans en hun monden vielen open van verbazing, want op zijn graf bloeiden ontelbare kleine blauwe bloempjes.
“Wat zijn dit voor bloempjes?” zeiden de mensen tegen elkaar. “Zulke kleine bloempjes hebben wij nog nooit gezien”
En ze voegden eraan toe: “Ze zijn net zo blauw als de ogen van kleine Hans.”
Ze noemden de bloempjes vergeet-mij-nietjes. “Want,” zo zeiden zij, “net zoals wij deze bloempjes, hoewel zij de kleinste zijn die wij ooit hebben gezien, niet over het hoofd kunnen zien, zo mogen wij niet vergeten dat wij van kleine Hans hebben geleerd onze medemensen te helpen.”

En tot op de dag van vandaag helpen de mensen in ons dorp elkaar.

Hoe ik dat weet? Dat is nogal eenvoudig: ik was erbij; ik ben de jongste zoon van Dikke Jan.

Maar weet je wat ik nog steeds niet begrijp? Iedereen in ons dorp moet altijd lachen als ik zeg dat ik bieten werkelijk heel erg lekker vind.