Ga naar de inhoud

Onder het Licht van Vier Manen

De sergeant kijkt uit over het nachtelijke landschap van Zyxion VI badend in het licht van de manen


“U moet nu stoppen.” De blauwgrijze ogen van de arts keken de sergeant doordringend aan. In het groenachtige licht dat door het kleine raam viel, leek zijn blik bijna bovennatuurlijk. “De ondervraging heeft te veel van hem gevergd. Als u nu doorgaat, overleeft hij het niet en krijgt u nooit de antwoorden die u zoekt. Gun mij tijd hem te verzorgen, dan kunt u later…”

De sergeant vloekte, zijn vuisten gebald. Hij keek naar het bewegingloze lichaam van de verzetsstrijder, en een fractie van een seconde flitste er iets anders dan woede door zijn ogen. Toen, alsof hij zich bewust werd van de blik van de arts, verhardde zijn gezicht weer. Met een laatste, harde trap tegen het lichaam van de gevangene beende hij de kamer uit, de deur met een klap achter zich dichtslaand.

De sergeant liep met grote passen door de kille, grauwe gang, zijn laarzen echoënd op de betonnen vloer. Zijn vuisten waren gebald, zijn kaak gespannen. Hij passeerde twee wachtposten die strak in de houding sprongen, maar hij negeerde ze volledig.

Bij zijn werkkamer aangekomen, smeet hij de deur open en stapte naar binnen. Even bleef hij staan, zijn ogen dichtgeknepen, zijn ademhaling zwaar. Toen, met een gefrustreerde kreun, beende hij naar het raam en staarde naar buiten.

Het nachtelijke landschap van Zyxion VI baadde in het groenachtige licht van Chloros, de grootste van de vier manen. De ogen van de sergeant gleden over de vreemde, gekartelde rotsen en de grillig gevormde vegetatie die zo typerend was voor deze vervloekte planeet. Zelfs na drie jaar hier gestationeerd te zijn, kon hij nog steeds niet wennen aan het buitenaardse uitzicht.

Hij dacht terug aan die eerste dag, toen hij met zijn eenheid voet aan de grond had gezet. Ze waren vol bravoure geweest, overtuigd dat ze deze primitieve wereld snel zouden veroveren voor het Imperium. Maar de inwoners van Zyxion VI hadden zich verre van primitief getoond. Hun verzet was fel en onverwacht goed georganiseerd geweest.

De sergeant streek onbewust over de littekens op zijn linkerbeen. De verwonding die hij had opgelopen tijdens een van de eerste gevechten, had een eind gemaakt aan zijn droom om de aanval op het rebellenhoofdkwartier te leiden. In plaats daarvan zat hij nu hier, ver achter de frontlinie, gevangenen ondervragend. Hij snoof minachtend. Martelen, dat was een beter woord.

“Het is prachtig, vind je niet?”

De sergeant draaide zich geschrokken om. In de deuropening stond de verzetsstrijder die hij nog geen tien minuten geleden bewusteloos had geslagen. De man leunde zwaar tegen de deurpost, zijn gezicht een masker van blauwe plekken en opgedroogd bloed. Maar zijn ogen, helder en intens, keken de sergeant recht aan.

“Hoe ben jij hier gekomen?” snauwde de sergeant, zijn hand al op weg naar zijn wapen.

De verzetsstrijder negeerde de vraag. “Het groene licht van Chloros,” zei hij, zijn blik nu op het landschap buiten gericht. “Het geeft alles zo’n… etherische gloed. Maar wacht tot Rubrum opkomt. Het rode licht vermengd met het groen… dat is pas echt adembenemend.”

De sergeant staarde de man aan, niet in staat te bevatten wat er gebeurde. Dit moest een hallucinatie zijn, veroorzaakt door uitputting en stress. Hij knipperde met zijn ogen, maar de verzetsstrijder bleef waar hij was.

“En dan Aurum,” vervolgde de man, alsof hij een verhaal vertelde aan een oude vriend. “Als zijn gouden stralen de hemel verlichten… dat is het moment waarop de nachtbloeiers hun kelken openen. Heb je die al eens gezien? Ze lijken wel van vloeibaar metaal in dat licht.”

Tegen zijn wil in draaide de sergeant zich weer om naar het raam. En inderdaad, daar aan de horizon verscheen een rode gloed. Rubrum kwam op.

“Maar het allermooiste,” zei de verzetsstrijder zacht, “is als alle andere manen zijn ondergegaan en alleen Argentum nog aan de hemel staat. Als haar zilveren licht over het land valt… dat zijn de uren die ik koester.”

De sergeant hoorde hoe de man moeizaam de kamer in strompelde. Hij draaide zich niet om, bleef naar buiten staren, naar het vreemde spel van groen en rood licht dat nu over het landschap danste.

“Weet je,” zei de verzetsstrijder, nu vlak achter hem, “toen ik klein was, nam mijn vader me vaak mee naar de voet van de Zkyber-bergen. We kampeerden daar, mijn vader en ik. En in het zilveren licht van Argentum vertelde hij me verhalen. Over onze voorouders, over de geesten die in de bergen wonen, over de sterren en de werelden daarachter.”

De sergeant voelde een vreemde beklemming in zijn borst. Voor zijn geestesoog zag hij even zijn eigen vader, zo ver weg op hun thuisplaneet. Hij herinnerde zich de lange dagen die ze samen doorbrachten aan de oever van de Zilverbeek, wachtend tot de vissen zouden bijten. Zijn vader, een man van weinig woorden in het dagelijks leven, kwam daar altijd los. Terwijl de zon langzaam onderging, vertelde hij verhalen over zijn tijd in het leger, over eer en plicht, maar ook over de zware keuzes die een man soms moet maken. “Jongen,” zei hij dan, zijn stem zacht maar indringend, “er komt een moment dat je moet kiezen tussen wat gemakkelijk is en wat juist is. En dat moment, dat definieert wie je bent.” De sergeant slikte moeizaam. Hoe lang was het geleden dat hij aan die lessen had gedacht?

“Hij gaf me wijze raad in die nachten,” vervolgde de verzetsstrijder. “Lessen over eer, over moed, over wat het betekent om een man te zijn. Over hoe je moet vechten voor wat juist is, zelfs als de prijs hoog is.”

De sergeant voelde een vreemde herkenning. De woorden van de verzetsstrijder echoden zijn eigen herinneringen, zo lang begraven onder jaren van plicht en discipline. Voor een moment was hij weer die jongen aan de Zilverbeek, luisterend naar zijn vaders stem in de schemering.

Maar de realiteit van zijn situatie drong snel weer tot hem door. Hij lachte schamper, zijn stem harder dan hij bedoelde. “En kijk waar het je gebracht heeft.”

Er viel een lange stilte. Toen de verzetsstrijder weer sprak, klonk zijn stem zwakker, verder weg. “Het heeft me precies gebracht waar ik moet zijn. Vechtend voor mijn volk, voor onze vrijheid. Voor de toekomst van onze kinderen.”

De sergeant draaide zich om, een bijtende repliek al op zijn lippen. Maar de kamer was leeg. Er was geen spoor van de verzetsstrijder te bekennen.

Op dat moment ging de deur open en kwam de arts binnen. Zijn gezicht stond ernstig. “Sergeant,” zei hij zacht, “het spijt me. We hebben alles geprobeerd, maar… de verzetsstrijder heeft het niet gehaald.”

De sergeant staarde hem aan, niet in staat de woorden te bevatten. “Wat… wat bedoel je? Hij was net hier!”

De arts keek hem verward aan. “Sergeant, de man is al meer dan een uur dood. Ik kom het u nu pas vertellen omdat we eerst de nodige procedures moesten volgen.” Hij aarzelde even. “We zullen het lichaam begraven in de aangewezen sector net buiten het complex.”

De sergeant schudde zijn hoofd, nog steeds niet in staat te bevatten wat er gebeurd was. Had hij gehallucineerd? Of was er iets anders aan de hand, iets dat zijn rationele geest niet kon verklaren?

Hij keek weer naar buiten. Rubrum stond nu hoog aan de hemel, zijn rode gloed vermengd met het groen van Chloros. En ja, daar in de verte zag hij de eerste gouden stralen van Aurum.
Plotseling nam hij een besluit. “Nee,” zei hij tegen de arts. “Breng het lichaam naar de voet van de Zkyber-bergen. Begraaf hem daar.”

De arts keek hem verbaasd aan. “Maar sergeant, dat is tegen alle protocollen. We kunnen niet zomaar-“
“Doe het,” onderbrak de sergeant hem. “Dat is een bevel.”

De arts aarzelde nog even, maar knikte toen. “Zoals u wilt, sergeant. Mag ik vragen waarom?”

De sergeant staarde weer naar buiten, naar het vreemde maar onmiskenbaar mooie landschap dat baadde in het licht van drie manen. Hij dacht aan zijn eigen vader, aan de lessen bij de Zilverbeek. “Misschien,” zei hij zacht, “was dat waar hij voor vocht. Waar wij allemaal voor zouden moeten vechten. Laat hem rusten op de plek waar hij vrede vond, waar zijn herinneringen liggen.”

De arts keek hem lang aan. Er lag begrip in zijn blik, en misschien wel een zweem van respect. Zonder nog iets te zeggen, draaide hij zich om en verliet de kamer.

De sergeant bleef achter, alleen met zijn gedachten en het steeds veranderende maanlicht. Voor het eerst sinds hij voet op deze planeet had gezet, zag hij de schoonheid ervan. En voor het eerst begreep hij, al was het maar een klein beetje, waarvoor deze mensen vochten.

In de verte begon Argentum op te komen, haar zilveren licht een belofte van wijsheid en vrede in de duisternis van de nacht.


Zie ook de toelichting bij dit verhaal.