In het hart van Den Haag, verscholen achter een onopvallende poort, ligt het Lindehofje. Een oase van rust te midden van de drukte van de stad, waar de tijd lijkt stil te staan. Twaalf kleine huisjes omringen een binnenplaats met een bloementuin, een moestuin en een statige oude lindeboom in het midden.
Vroeger, als de boer met een wagen vol zakken tarwe door ons dorp reed, kon je hem horen mopperen: “Ik heb helemaal geen tijd om die zakken zelf naar de molen te brengen, want ik moet nog zoveel tarwe oogsten.” En met een lang gezicht reed hij verder, langs het huis van de dominee, waar de domineesvrouw luid tegen haar man zei: “Er zijn zoveel armen in jouw parochie; had ik maar tarwe om te malen en brood voor ze te bakken.” Misschien sprak ze zo luid, omdat ze hoopte dat de boer het zou horen. Hij hoorde haar ook wel, maar hij schudde zijn hoofd en reed door. “Ik verkoop al mijn tarwe aan de molenaar. Ze denkt toch niet dat er iets voor haar overblijft?”